De postbode bezorgt de brief met de ochtendpost.
Overleg
“Doe je benen eens wat verder uit elkaar.”
Zijn vingertoppen duwen tegen de binnenzijde van mijn dijen.
Roland zit schrijlings over mijn middel. Ik lig op mijn buik op het bed in mijn slaapkamer en ben het voorwerp van Rolands aandacht, of liever gezegd, mijn kont en mijn kut zijn het die zijn aandacht naar zich toe zuigen.
Ontspannen leg ik mijn armen onder mijn hoofd en doe wat hij me vraagt, want ik weet wat voor traktatie hij me gaat geven. Ro is gek op het donkere driehoekje waar mijn billen en dijen samenvloeien. In bed doet hij
niets liever dan daar zijn gezicht verstoppen, zijn wangen tussen de ronding van mijn billen duwen, daar waar die wijken om plaats te maken voor mijn rozetje, met een stukje verderop de vallei tussen mijn benen. Hij wil
zich daar te goed doen aan mijn gaatje en het sappigs daar vlak onder. Roland zou Roland niet zijn als hij zich niet voorover zou buigen om zijn neus tegen mijn pretknopje te duwen en mijn intiemste openingen met zijn
tong te vertroetelen.
Twee armen schuiven onder mijn bekken en tillen mijn heupen ietsje op, zodat mijn lekkernijen voor zijn mond komen. Vingers tasten. Ze openen de blaadjes, teer en rozig, kwetsbaar, van mijn bloem. De bloesem van
mijn vrouwzijn bloeit geurig open voor zijn tong.
Aanvankelijk likt hij me grondig en zijn wat ruwe tong glijdt smakkend door mijn gleuf. Zijn baardhaartjes van een dag zinneprikkelen de huid onderaan mijn billen. Alles wat hij met zijn tong kan bereiken keurt hij, voor hij
zich over mijn lipjes vastzuigt, gelijk een remora aan een manta, en ik dat vlees het vacuüm van zijn mond in voel trekken. Later knabbelen tanden speels aan de plooitjes en rekken die behoedzaam uit, tot ze niet verder
kunnen en hij ze laat schieten.
Zijn spuug doorweekt mijn weke delen, eer hij rechtop veert en zijn handen gebruikt.
Met mijn benen bandeloos wijd, wrijft Ro zijn handen tussen mijn billen en duwt een vinger in het gaatje. O Jezus, Jezus, wat een heerlijk gevoel! Hij glipt naar binnen, maar duwt niet door. Het vingertopje blijft in de
kringspier steken en stopt. Ik knijp het spiertje samen en wil de indringer vangen, maar krijg het niet voor elkaar. Met een plopje floept de insluiper naar buiten en schuift onbeschaamd naar beneden. Daar vingert hij mijn
bobbeltje tot ik schuim, het uitkraai van plezier en hij opnieuw zijn mond over mijn liefdesholte sluit.
Mijn adem stokt in mijn keel, vlak voor mijn orgasme losbarst en ik span mijn billen aan als HET begint. Ik bijt door lust gedreven hard in de lakens en krom mijn rug, doorsta verkrampt de ontlading, met zijn tong diep
weggedoken in mijn kut. Bronstig gekreun ontsnapt aan mijn lippen; het reutelt omhoog, zo diep van onder uit mijn keel. Hees van de geiligheid.
Alle nectar die ik maak moet hij hebben en hij slurpt luid aan mijn lekkende spleet. Zo door Ro klaargezogen te worden is het zaligste dat ik ken.
Wanneer hij me loslaat en ik me eindelijk kan ontspannen, komt hij voor me en offreert me zijn roe. Meer dan gewillig, als altijd, sluit ik mijn mond om zijn kanjer en zuig en zuig, mijn wangen hol. Een hand nestelt onder
mijn kin, heft mijn hoofd op, tot ik zijn lul kan verzwelgen en hij me kan neuken, af en toe doordringt tot diep in mijn keel. Een lading sperma wolkt uit het gaatje mijn mond binnen en voor misschien wel de honderdste keer
proef ik het zilt op mijn tong. Hij trekt zich gezwind terug en spuit de laatste stralen tegen mijn neus en op mijn wangen. Ik ruik de pregnante reuk van zijn zaad.
“Hou je mond maar open, dan veeg ik er alles in,” klinkt het hitsig, en zijn vingers komen zijn belofte na.
“Nee, houd open,” gebiedt hij, als ik mijn lippen wil sluiten, “het is zo’n geil gezicht. Niet slikken. Er hangen draden tussen je tanden en ik zie het liggen op je tong. Roer je tong er eens doorheen.”
Met wijd open mond doe ik wat me gevraagd wordt, vaag voel ik het goedje vloeien tegen de huidplooi onder mijn tong.
Het puntje van mijn tong haal ik langs mijn tanden, onder, want boven kan ik er niet bij, draai er rondjes mee door de gelei. Het slijmerige goedje kleeft overal. Ik laat hem kijken tot ik het bijna niet meer houd. Een
wijsvinger schuift over mijn tong mijn mond in, tot op het achterste van mijn tong. Daar drukt hij naar beneden en dan moet ik mijn mond wel sluiten. Dan pas slik ik, met moeite, het laatst van onder mijn tong. Mijn tanden
en lippen om zijn vinger.
Sinds zijn uitstapjes met Maaike en de door mezelf zelfveroorzaakte crisis daarna, verbaas ik me erover hoe mijn gevoelens voor hem zich verdiepen. Voor die gebeurtenis was ik verliefd, dat zeker, maar een andere,
oppervlakkiger verliefdheid dan erna.
Natuurlijk vree ik toen al graag met hem. Hemeltjelief, wat vree ik graag met hem, maar daarna werd het zoveel meer dan puur fysiek.
Mijn hoofd ligt op zijn borst, zijn arm dwars over mijn buik. In de hitte van mijn lijf sudder ik na in het ochtendlicht en dwalen mijn gedachten.
Vanochtend, hier in bed, nadat hij me zo verwende, ben ik de gelukkigste vrouw op deze wereld. Bijna anderhalf jaar is hij nu mijn vrijer en de intensiteit waarmee ik zijn liefde beleef is voor mij ongekend, zelfs met al
mijn ervaring op dat terrein.
Er zijn momenten, zomaar ergens in de auto of op mijn werk, dat alleen al een gedachte aan hem mijn hart doet ontvlammen en ik vol schiet van geluk.
Met dat geluk is echter ook mijn kwetsbaarheid toegenomen. Dat geluk kan me ontvallen, om wat voor reden dan ook. En dan? Van de top van de berg een smak tot in het diepst van het dal? Daar moest ik maar niet
aan denken.
De naweeën van mijn orgasme zijn nog nauwelijks mijn lijf ontvloden of ik vertel hem over de brief.
“Vind jij dat ik dit moet doen?”
Ik leg hem uit wat de ouders van S. me vragen. Zelf heb ik nog geen mening gevormd. Gebrek aan ervaring is het, met jongens van zijn leeftijd, niet in de behandelpraktijk in ieder geval. Ongetwijfeld wordt het heel
anders als met de kinderen die ik normaal begeleid.
“Nou?”
Ro kan fantastisch luisteren en zijn antwoord ligt besloten in aandachtige stilte. In zijn optiek bezwaart mij dat niet: het is aan mij en niet aan hem hierover te beslissen. Hij kan niet voor me kiezen, dat moet ik doen. Hij
kent de zeggingskracht van stilzwijgendheid.
Roland doet wat Bernlef schrijft: in de stilte tussen woorden ontpopt zich het inzicht waarnaar je zoekt. In die stilte van Ro neem ik mijn besluit.
Bij al zijn ex-hulpverleners vraag ik zijn dossier op. Duimendikke verslagen lees ik, tot ik tureluurs word van de monotonie van die verslagen. Het beeld dat de dossiers van hem schetsen, bevestigt wat ik van zijn ouders
hoorde: niks hielp. Sterker nog, in mijn ogen bestendigde de hulp die hij ontving zijn probleem. Dat moet anders. Tegenwicht bieden dus, waarvoor zijn ouders bij me kwamen: paradoxale therapie.
De valkuilengraver
Apathisch zit S. voor me, maf als een dodo: sloom en ondanks zijn jeugd al zowat uitgestorven. Weerloos in een boze wereld. Van jongs af aan gepest, beschimpt, bescheten, getreiterd en gekleineerd. Dat heeft hem
echter in de loop der jaren wel aandacht opgeleverd. Negatieve weliswaar, maar als je niet anders krijgt is alle aandacht aandacht, dus winst. Er bestaat voor hem geen andere manier.
Het is bijna of er buiten mezelf niemand in de kamer is. In feite heerst al een kwartier een zwijgen tussen ons. Geen positieve stilte, doods.
Hij kent het spelletje van hulpverleners. Ik lees het in zijn ogen. Van hem moet ik beginnen met praten, dat is hij zo gewend. Praten is tenslotte wat alle hulpverleners doen. Ik moet hem vertellen dat ik hem ga helpen en
dat ik met hem meevoel. Empathisch zijn heet dat en dat is wat hij van mij verwacht. Maar ik zwijg, bewust.
Onverschillig staar ik de hele tijd naar zijn gezicht en hij wordt ongedurig, zit te draaien op zijn stoel. Wanneer gebeurt er eindelijk eens wat?
Als het aan mij ligt gebeurt er niks. Als ik reageer, stap ik met open ogen in de valkuil die hij nu voor me aan het graven is. Daar heb je er weer zo een die me wil genezen, ik zie het hem denken. Maar waarom zou ik dat
doen? Om hem nog meer van hetzelfde te geven? Nog meer ‘meevoelen’ en hem zo zielig vinden? Wat heeft dat geholpen bij al die anderen? Niks. Dus onderneem ik niks!
Na driekwartier is zijn tijd voorbij en is er niets veranderd. Nou, niets? Hij zit er nog steeds heel ongemakkelijk bij en weet langzamerhand niet meer wat hij met de situatie aan moet. Is dat een barstje in zijn schild?
“Je tijd is om. Ga maar naar huis.” Ongeïnteresseerd draai ik me om naar mijn bureau, pak mijn laptop en ga zitten tikken.
“Moet ik volgende week weer komen?” vraagt hij me.
“Kijk maar. Mij maakt het niet uit. Dag hoor.” Aankijken doe ik hem niet.
Verbijsterd stapt hij de deur uit. Weet niet wat hij hier van moet denken. Je moet toch altijd een afspraak maken voor de volgende keer? Wil ze dat dan niet?
Hoe gemakkelijk was het geweest om vandaag, bij hem, de fout van empathie te maken. Bij de anderen hielp dat niet, waarom bij mij dan wel? Moet ik hem niet van zijn probleem afhelpen? Nee, niet ik! Er is maar een
persoon die hem nog kan helpen en dat is S. zelf.
Als ik in zijn kunstig gelegde valletjes stap, ligt de rol van hulpverlener direct bij mij en raak ik die rol nooit meer kwijt. Niet doen dus, Carlijn!
De tweede keer dat hij komt heeft hij zelf voor een afspraak gebeld. Voor mij is dat winst. De hulpverlener heeft niet gebeld; de hulpvrager belde. Actief zijn dus en niet passief afwachten wat de ander doet en therapie
consumeren. Actief zijn, daar begint verandering mee.
Het stommetje spelen begint van voor af aan, maar dit keer leg ik er een schepje bovenop en speel alsof hij er niet is. Zit achter mijn bureau en schrijf wat, teken poppetjes in de kantlijn.
“Moet je me geen vragen stellen?” Na een halfuurtje kookt hij over, stelt hij een vraag.
Geweldig! Hij neemt het initiatief, niet ik. Een barstje! Vooruitgang!
“Moet dat dan?”
“Maar je moet me toch helpen?”
Hij is slim, een bovengemiddeld IQ en hij kent alle trucs van hulpverleners.
“Vind je me niet zielig dan?”
Alweer een valkuil!
Tot zover het scheurtje in het door hem opgebouwde harnas.
“Ja, je bent hartstikke zielig. Je bent zo zielig dat ik niet zou weten hoe ik je moet helpen.”
Extreem versterken dus en daarin schuilt de paradox!
Geschokt kijkt hij me aan. Wat is dát voor een raar mens? Zijn dat de woorden van een hulpverlener? Waar blijven de begrijpende woorden? Waar is haar medeleven? Is ze gek geworden? Mijn ouders betalen haar
toch om me te helpen?
“Vind je het niet erg dan dat iedereen me pest?”
“Ja hoor. Vreselijk voor je.” Mijn intonatie is niet erg congruent.
Medelijden heeft hem nooit geholpen, dan maar tegengas. Een schijnbaar tegenstrijdige interventie. Meer van hetzelfde? Nee dus. Een andere boeg, daar moet het over.
Wat ik probeer is energie bij hem los te wurmen, energie waarmee hij zichzelf verandert. Van binnenuit moet het komen, bij hem vandaan. Ik plant een zaadje, dat diep in hem moet ontkiemen.
“Wat een domme trut zeg, ben jij.”
Het is een wanhopig streven mij in zijn gareel te krijgen.
“Ja, je hebt gelijk. Ik kan er niets van.”
“Ik kom niet meer terug hoor.” Nog zo’n doorzichtige poging.
“Goed, ik zal je ouders bellen dat ze niet hoeven te betalen. Succes ermee hè!”
Woest beent hij de kamer uit. Ik zie wel. Ik bel zijn ouders.
Nog geen twee dagen later belt hij voor een vervolgafspraak.
Hij wil zich niet gewonnen geven. Elk ‘gevecht’ met al zijn hulpverleners heeft hij tot nu toe gewonnen en hij is vast van plan ook dit te winnen.
“Zo, ben je er weer? Wat kom je doen?”
Schaken is het. Direct bij binnenkomst geef ik S. geen kans zijn winnende zet te doen. In plaats daarvan zet ik hem mat. Alles had hij verwacht, maar niet dit harteloze. Hij is gekomen om met een ultieme poging mij aan
zijn zegekar te binden. Dit is ongehoord.
“Hebben mijn ouders je niet gebeld en gezegd dat je me moest helpen?”
Ha! Zijn ouders worden dus als trekpaarden voor zijn karretje gespannen!
“Ja, dat weet je toch. Gisteren belde je vader dat ik naar je moest luisteren en je moest laten vertellen. Maar daar heb ik geen zin in. Dat verhaal ken ik al, dat heb ik al tig keer in je dossiers gelezen. Dat wordt zo
vreselijk saai. Lees jij soms boeken twintig keer?”
Zelfs het feit dat zijn vader belde en min of meer beval nu eindelijk eens iets aan zijn zoon te doen, maakt geen indruk merkt hij en hij wordt hulpeloos. De regels van het spel zijn omgedraaid en hij is alle houvast kwijt.
Weet niet hoe hier mee om te gaan en dan begint zijn verzet tegen mijn houding.
Het begin van verandering.
Na 5 weken
In de daaropvolgende weken komt hij steeds trouw naar me toe en elke keer merk ik zijn verzet tegen mijn tegenspel. Dat is wat ik wil. Hij moet zelf zijn probleem aanpakken en het lukt! Na vijf weken is zijn opstelling
merkbaar anders, dat hoor ik, van zowel zijn ouders als zijn school. En, natuurlijk, ik merk het aan hemzelf.
Opscheppen
Opschepperig lepel ik het verhaal van mijn succes op tegen Roland die, zoals zo vaak, luisterend mijn verhaal tot zich neemt. Het enige dat hij zich verwaardigt te zeggen: “Zie je nou dat je zelf de juiste beslissing neemt.”
Gevangen ben ik, in het net van mijn eigen principes!
We liggen in bed en knuffelen nog even voor ik in slaap val.
Daarin komt de ‘Grote Vriendelijke Reus’ me bezoeken en bezorgt me een droomflesje, met daarin een bijzondere droom; tamelijk ruig, onorthodox, wel lekker.
De droom toont me een andere interventie dan ik heb gepleegd, al moet ik vrezen dat de commissie Ethiek van mijn beroepsvereniging niet zijn goedkeuring eraan zal hechten.
Gelukkig heeft elk mens recht op dromen en wordt daar door niemand censuur op gepleegd.
Na 5 weken
In de daaropvolgende weken komt hij steeds trouw naar me toe en elke keer merk ik zijn verzet tegen mijn tegenspel. Dat is wat ik wil. Hij moet zelf zijn probleem aanpakken, maar het lukt niet! Na vijf weken is zijn
opstelling niet merkbaar anders, dat hoor ik, van zowel zijn ouders als zijn school. En, natuurlijk, ik merk het aan hemzelf.
Het begin is er, maar ik kom niet verder. Het probleem zit in wat er in de tijd tussen onze sessies gebeurt.
Thuis en op school valt hij terug in zijn oude gedrag omdat zijn ouders en leraren hem daarin bevestigen. Daar krijgt hij de aandacht die hij wenst voor zijn probleem en dat doet teniet wat ik bereik. Zelf op therapie willen
zijn ouders niet en wil ik iets met S. bereiken, dan moet ik daar iets op verzinnen. Ik weet wat dat moet zijn: hij moet een tijdje afgezonderd leven, alleen, bij mij.
Ik maak een plannetje en leg dat zijn ouders voor. Tot mijn verbazing stemmen ze ermee in!
De villa
Vrijdagmiddag laat arriveren we in de villa.
De geweldige, moderne villa in Ste. Maxime is omsloten door een enorm afgesloten terrein en werkelijk van alle gemakken voorzien. Inpandig zwembad, een volledig geoutilleerde fitnessruimte, moderne keuken met
vrieskamer, whirlpool, alles is aanwezig.
De trots is echter de enorme tuin met gazons, bomen en bloemperken vol kleurenpracht. Op dagen dat de lucht warm opstijgt, de bloemperken stoven in de zon, verwelkomt het domein zijn gasten met een honinggeur
van onwaarschijnlijke bloemen, met borders in wit, magenta, cyaanblauw en helgeel. In de zomer sprenkelen ontelbare sproeiers dagelijks hun vocht over gras en bloem.
In het bos tegen de bergwand achter het huis, vind je Mediterrane pijnbomen en sparren, grove den en reuzenzilverspar, wanordelijk dooreen, de meeste met een schors met ruwe richels. Op dagen dat het bos ligt te
bakken in een verzengende zon, kringelt de reuk van dennennaalden op en walmt de geestverruimende geur van traag uit wonden sijpelende hars je neus tegemoet.
Het zijn de geuren en beelden van de plek waar ik houtjes ‘mocht’ hakken en van mijn ‘beulspad’ van vorig jaar.
S. is behept met een zeer onderdanige en initiatiefloze persoonlijkheid en de bedoeling is dat ik hem help daar vanaf te komen. Hij mag zich niet langer wentelen in zijn probleem, ontstaan uit traumatiserende vroege
ervaringen. Hij moet die schulp van onderdanigheid uit. Daartoe is het zaak bij zijn belevingswereld aan te sluiten. De droefheid moet eruit en ik verspil geen tijd.
Om een idee te krijgen waar ik mijn aanpak aan kan laten grijpen, is het eerste wat ik hem in de villa vraag of hij een tekening wil maken met een onderwerp dat hij associeert met onderdanigheid.
“Als je aan onderdanigheid denkt, waaraan denk je dan? Teken dat.”
Tot mijn verrassing tekent hij een hond.
S. is een fantastische tekenaar. De Golden Retriever die hij tekent, lijkt sprekend. Hoe toepasselijk kiest hij bovendien het ras. Een Golden is het prototype van een makkelijke, onderdanige hond, bekend om zijn ‘will to
please.’ Bij deze metafoor ga ik aansluiten, dat weet ik direct zeker.
Na het eerste avondmaal wandelen we samen door de tuin en het bos achter de villa. We komen langs het pad waar ik vorig jaar struikelde en naar beneden duikelde en waarvoor ik straf ontving. Alle herinneringen
vechten zich terug in mijn geheugen.
Het is een avond die we besluiten met een duik in het zwembad.
Terwijl ik in het water dobber, kijk ik naar S., nog op de kant.
S. is, wat je noemt, een mooie jongen, maar dan alleen lichamelijk gezien. Als hij niet zo ongelooflijk geremd zou zijn geweest, zou je hem een stuk noemen. Er gaat echter totaal niets van hem uit en dat maakt hem saai,
levenloos, een slome duikelaar en weinig interessant.
Hoe ziet hij er uit? Slank, met een strak kontje. Niet té gespierd, voldoende om aantrekkelijk te zijn. Vrij brede schouders met mooi geprononceerde armspieren. Donker haar, warrig, boven een mager gezicht met volle
lippen. Een beetje een haakneus en antracietgrijze ogen. Niet al te groot, wat zijn schouders accentueert.
Ik heb mijn groen met gele bikini aangetrokken en spartel naar hartelust in het water voor S. op de rand verschijnt. Zijn zwembroekje bedekt een veelbelovende vulling, boven tussen zijn benen. Zijn lijf is een genot om
naar te kijken, maar mijn hemel, hoe kan iemand zo verlegen zijn! Mijn bikini maakt dat hij bloost tot achter zijn oren. Het is zijn eerste blik op de beloning die hij opstrijkt als hij het goed gaat doen. Ik ben mijn
interpretatie van het plakplaatje in het schriftje op de basisschool. Ik weet het, typisch Amerikaans om gewenst gedrag op deze manier te belonen, maar wel een zeer motiverende prikkel tot verandering.
“Kom erin joh, het is heerlijk,” en weg duik ik, kopje onder en zwem het bad in de lengte onder water. Hij zal mijn kontje in het minieme broekje goed gezien hebben.
Later hangen we lui in de ligstoelen in de late-avondzon en vertel ik hem wat we gaan doen.
“Morgen gaan we sporten en de dag erna beginnen we met een rollenspel. Dan spelen we beiden een rol, die we de dag erna omwisselen. Het gaat in dit spel om onderdanigheid en baas-zijn en het verschil
daartussen. Ik wil dat je deze twee uitersten ervaart.
Ons spel heet ‘De hond en zijn baas.’ Eerst ben jij de hond en ik je baas. Elke 24 uur wisselen we van rol, dus daarna ben ik de hond en jij de baas.”
Verbaasd kijkt hij me aan, maar zegt niets, zijn gewone gedrag, en aldus geschiedde.
De hond en zijn baas
De dag voor ons eerste rollenspel brengen we voornamelijk door met sportieve activiteiten. Het vormt een deel van mijn plan.
Bewegen maakt in de hersenen BDNF (*) vrij: een eiwit dat vormen van depressie tegengaat. In de psychiatrie en psychotherapie wordt tegenwoordig meer en meer aandacht aan bewegen als therapie gegeven, soms
ter vervanging van medicijnen en gesprekken en daar wil ik bij aansluiten.
We lopen hard, wandelen, klimmen, zwemmen, gebruiken de fitnessruimte, teveel om op te noemen.
S. blijkt goed in conditie. Elke dag van ons verblijf besteden we enkele uren aan dat sporten, ter ondersteuning van de rest.
Ook ga ik naar Nice, in m’n eentje, om enkele noodzakelijke inkopen te doen.
“Morgen beginnen we met ons rollenspel. Ga maar naar bed en wanneer ik je wakker maak ben jij de hond.”
Terwijl S. ligt te slapen, zet ik de spullen klaar.
In Nice heb ik de grootste hondenmand gekocht die ik kon vinden, zacht en met beklede, opstaande randen. Een rode hondendeken maakt de verblijfplaats van Sammy (dat wordt zijn hondennaam!) compleet. Als S.
zich oprolt in zijn mand, moet hij daarin lekker warm kunnen liggen.
Ook nam ik een halsband, een slipketting, een werpstok waarmee een tennisballetje kon worden geworden en een voerbak mee. En natuurlijk een rubberen apporteerkluif.
Om precies 24.00 uur die nacht maak ik hem in zijn bed wakker, de tijd kantelt tenslotte op dat moment naar morgen.
“Kom Sammy, we gaan een plasje doen.”
S. weet niet wat hem overkomt! Slaperig ondergaat hij wat ik vraag. Hij krijgt de halsband om en ik neem hem mee naar buiten.
“Nee, je hoeft geen jasje aan, Sammy, het is niet koud.”
Hij moet nu wel begrijpen dat zijn hondennaam Sammy is.
Aan de riem laat ik hem uit.
“Doe eens een plasje, Sammy,” spoor ik enthousiast mijn hond aan. Ik moedig hem aan als een pup die zindelijk moet worden en ik wandel kalmpjes over de oprijlaan, met Sammy naast me op het gras. Hij hoeft echter
niet per se als een echte hond op vier poten te lopen.
“Kom, ga eens plassen, dan mag je je mand in.”
Eindelijk begrijpt hij dat het me menens is en schuchter draait hij zich van me af en doet een klein plasje op het gras.
Als beloning aai ik hem over zijn bol.
“Goed zo, Sammy, brave hond.”
De hondenmand staat naast mijn bed en daarheen leid ik Sammy.
“Zo, dit is je mand Sammy, hier moet je slapen en op het vrouwtje passen. Zul je lief zijn en niet op het bed springen?”
Sammy krult zich op onder zijn dekentje en ik kleed mezelf uit.
Twee trouwe hondenogen kijken naar me wanneer ik mijn slipje en mijn beha uittrek en me aan het wastafeltje was.
Mijn borsten schommelen onder het tandenpoetsen in het ritme van mijn poetsarm heen en weer en als ik klaar ben loop ik naar Sammy en aai hem nog een keer omstandig over zijn kop. Ik kan de penis van Sammy
niet zien onder de hondendeken, maar kan me voorstellen dat mijn naaktheid, waar hij zo prominent zicht op heeft, hem een stijve bezorgt.
“Een brave hond zijn hé, dan mag je morgen weer buiten spelen.”
Ik stap mijn bed in probeer te slapen.
Af en toe hoor ik de ademhaling van Sammy, die welhaast verbijsterd in zijn mand moet liggen. Ik vraag me af wat hij met zijn stijve doet. Trekt hij zich af of niet? Er is niets waarmee hij zijn kwakje af kan vegen, dus
alleen dat al stelt hem voor een probleem.
De gedachte bezorgt me rillingen tussen mijn benen en terwijl Sammy naast mijn bed in zijn mand ligt, vinger ik mezelf. Ik probeer niet teveel lawaai te maken bij het klaarkomen, maar kan toch een stel felle zuchten niet
onderdrukken. Die moet hij kunnen horen en een paar schichtige bewegingen in de mand lijken dat te bevestigen.
’s Ochtends vroeg begint zijn puppytraining.
Natuurlijk moet ik hem eerst weer uit laten en leer hem dat een reu tegen bomen of paaltjes plast en niet als een teefje zomaar ergens doorzakt boven het gras. Daarna krijgt hij zijn voer in de voerbak. Het is brood met
beleg, maar hij moet het opeten zoals ik, toen ik vorig jaar straf kreeg in deze zelfde villa.
De eerste drie commando’s die hij als gehoorzame hond moet kennen zijn ‘nee, voet en af.’
Met de slipketting om zijn hals leer ik hem om netjes naast het vrouwtje te lopen. Telkens als hij iets te ver van mijn zijde wijkt, brengt een kort rukje hem terug en roep ik ‘voet’ ten teken dat hij pal naast me moet lopen. Ik
heb nog nooit zo’n snel lerende hond gehad. Al na twee keer heeft hij het door en kon ik verder gaan.
Elke keer als hij iets goed doet, beloon ik hem met een aai of een knuffel en soms met een klein, gezond snoepje. Goed voor zijn tandjes. Op die manier conditioneer ik Sammy, totdat hij doorheeft hoe het hoort.
Met een elastisch koord om mijn middel, vastgebonden aan zijn halsband (die hij de hele dag omheeft, er zit ook een naamplaatje aan voor als hij wegloopt en verdwaalt!), leer ik hem dat als ik beweeg, hij mee moet en
me moet volgen waar ik ook naartoe ga.
Ik leer hem balletjes en de rubberen kluif apporteren. Een paar keer gooi ik het balletje of de kluif in het water van het zwembad en moet hij het zwemmend eruit halen en netjes voor mijn voeten komen leggen. Daarvoor
leert hij ‘af.’
Met “Kom voor,” roep ik hem bij me. Dan moet hij keurig voor me komen staan en pas als ik het commando ‘apport’ geef, mag hij het balletje halen. Niet eerder. Dit kost nog het meeste moeite om hem aan te leren,
maar uiteindelijk begrijpt hij ook dat en volbrengt feilloos de taak die zijn baasje hem opgeeft.
Tussendoor zijn we vaak in het huis en ligt hij aan mijn voeten, zoals het een goede hond betaamt. Telkens als ik beweeg kijkt hij met die hondenogen naar me op, om te zien of hij mee moet of niet. Hij is erg alert op wat
ik doe en die eerste dag beloon ik hem voortdurend. Daartoe strijk ik over zijn kop, of over zijn rug en klop zachtjes op zijn lijf. Of ik knuffel hem en zelfs mag hij een keer zijn kop op mijn schoot leggen toen hij heel braaf
was geweest en waarschuwend gromde toen hij een vreemd geluid hoorde.
S. zit al snel helemaal in zijn rol, hij schijnt het spelletje leuk te vinden. Als bewijs van de liefde voor zijn baas krijg ik zelfs een hondenkusje, waarbij hij een been likt terwijl zijn hoofd op mijn schoot ligt!
Ik krijg hem in een dag volkomen dociel en dat was mijn bedoeling: het ondervinden van overdreven onderdanigheid aan de baas. Maar: het gaat hem veel te gemakkelijk af, vind ik, omdat dit zijn normale gedrag is. De
dag erop echter wordt hij het baasje en kan hij laten zien of hem dat net zo goed afgaat.
Dat is dus niet zo.
’s Nachts wisselen we van rol. Ik word de hond, maar S. is een baasje van niks. Hij heeft totaal geen gezag en is veel te bedeesd. Zonder ook maar een keer straf te krijgen kan ik doen en laten wat ik wil. Ik luister
nergens naar en doe waar ik zin in heb. Kortom: ik ben geen underdog, ik maak de dienst uit en niet S.
S. is gewoon niet gewend de overhand te hebben. Zelfs mijn hondennaam, Seda, spreekt hij te zacht uit om indruk op me te maken. ‘Nee’, wat ik hem als eerste had bijgebracht, krijgt hij niet over zijn lippen en dus kan
ik doen en laten wat ik wil. En dat doe ik dan ook. Die dag is het daarom lang zo spannend niet als die had kunnen zijn.
Laat die avond evalueren we en ik kan niets anders dan hem op zijn kop geven. Hij moet veel strenger tegen me zijn en durven op te treden tegen mijn eigenzinnige gedrag. Hij moet leren de baas te zijn en assertief.
Dat is hem nu wel duidelijk geworden.
De tweede keer dat S. de hond speelt, laat ik hem zien dat honden leiding behoeven.
‘Zit’ is het eerste commando van die dag. Dan moet hij op zijn hurken gaan zitten en omhoog kijken naar mijn gezicht. Ook leer ik hem afliggen, met het commando ‘down.’ Het volgende commando is ‘rollen’. Dat is een
grappig gezicht, want naakt als hij is betekent dit dat zijn zaakje grappig heen en weer slingert, tussen zijn opgetrokken benen.
’s Nachts heeft het geregend en daar profiteer ik van door het balletje in een blubberplas te gooien. Hij krijgt de opdracht het balletje te apporteren, maar aarzelt, bang om vies te worden waarschijnlijk. Hoe ‘Un-Golden
like!’
Dit is mijn kans om te tonen wat echte leiding is en ik jaag hem met een harde stem de blubber in. Smerig als een echte Golden komt hij eruit, wat betekent dat ik hem moet wassen.
Ik zet Sammy op zijn vier poten in het bad, pak een fles badschuim en was hem van top tot teen.
Van achter Sammy vandaan kijk ik recht tussen zijn billen. Zijn gaatje lonkt me tegemoet en pal daaronder bengelen zijn behaarde juwelen, vrijelijk tussen zijn benen. Met een schuimlaag op mijn handen grijp ik de
balzak en sop die schoon. Bal voor bal rolt door mijn handen voor ik zijn piemel grijp en die masseer. Zijn spulletje wijst knoertstijf naar voren en het duurt niet lang of Sammy begint te lekken. Ik voel de blote knop in mijn
handpalm pulseren en het sperma spuit er werkelijk eruit. Ik word verrast door de kracht waarmee hij zijn zaadjes wegschiet. De eerste lozing schiet ver onder zijn buik door en kletst op het water. De tweede golf ontglipt
mijn hand niet en glibbert tussen mijn vingers. Pas als het zaakje verslapt stop ik het pompen, volkomen leeggetrokken heb ik hem.
“Braaf zo jongen. Schud je maar uit,” beloon ik hem en ik laat los, “dan krijg je je brokjes.”
Pas de derde keer dat ik de hond speel verandert er iets in de houding van S.
Het begint ermee dat S. me precies om middernacht wekt en me stevig commandeert.
“Hup Seda! Mijn bed uit en in je mand! Ksst, stoute hond!” en ik krijg zowaar een pets met een vlakke hand op een blote bil. Ik begrijp al vanaf het begin dat mijn hondennaam Seda is. Ik vind het een mooie naam.
Die derde keer, zo neem ik me voor, zal ik me als een voorbeeldig getraind hondje gedragen.
Naakt als ik ben kruip ik onder de hondendeken in mijn mand, aangenaam verrast door de verandering in mijn baasje. De rest van de nacht slaap ik slecht, niet gewend aan het opgekruld liggen en ook door alle
spanning voor wat mij die ochtend mogelijk te wachten staat.
Opeens staat mijn baasje naast me, in zijn blootje en schudt me aan mijn schouder door elkaar. Ben ik toch nog in slaap gevallen.
“Kom, Seda, opstaan. We gaan wandelen.”
Zijn zaakje hangt slap voor zijn zak als ik de deken van me afgooi, maar niet voor lang. Begerig loert hij naar mijn borsten en het vachtje onderaan mijn buik. Ik gun hem zijn pleziertje en strek me omstandig uit, gelijk een
hond doet vlak voor het wandelen.
Bloed wordt omgeleid naar zijn penis en langzaam rijst zijn wapen naar zijn buik. Ik draai me om, rek en strek en buig me voorover, stretch met mijn handen naar de grond. Zwaar hijgend kijkt hij naar mijn billen. Tussen
mijn benen door zie ik dat hij zich een ietsje bukt, hij heeft het niet door dat ik het merk, voor een uitzicht op mijn kutje.
“Mag ik een jasje aan?” Bijna smekend klinken de woorden uit mijn mond.
“Nee Seda, dat hoeft niet, het is niet koud.”
Jankend en piepend als een pup met hoge nood, hurk ik voor de deur van de slaapkamer, terwijl mijn baasje zich aankleed. Hij heeft wat moeite met zijn broek, moet hij maar niet steeds naar mijn kontje kijken, tot hij
eindelijk klaar is en de deur ontsluit.
Jonge-hondachtig ren ik naar de voordeur en krabbel ook daar met een voorpoot aan het hout. Ik moet hoognodig, maar krijg eerst de halsband om.
Aan de riem mag ik eindelijk het gras op en kan ik plassen.
Ik zak door mijn achterpoten en opgelucht laat ik de urine het gras in lopen, stomend en wel. Dat wordt een bruine plek!
Mijn baasje had gelijk, het is niet koud, wel vochtig. Om te plassen zak ik diep door, tot net op het gras. Wanneer ik opsta kleven dauwdruppeltjes aan mijn propje en op de haartjes schitteren de druppels als pareltjes in
de ochtendzon.
Ik ben nog niet klaar, al denkt mijn baasje van wel. Hij wil alweer terug naar binnen, maar ik nog niet, ik moet nog drukken en sleur halsstarrig aan de riem.
Eindelijk begrijpt hij dat ik nog meer moet en geeft me de vrijheid. Zodra de riem is losgemaakt ren ik verder het veld op en ga gehurkt zitten.
Mijn baasje blijft netjes op de weg. Schamen doe ik me hier niet voor. Mijn andere baasje heeft me dit zo vaak zien doen op vakantie in de bergen.
Ik maak een paar mooie, donkerbruine keuteltjes, doe er nog een klein plasje achteraan en draaf terug naar het huis.
“Kom voor”, gebied mijn baasje me streng.
Oei, denk ik, ik ben stout geweest! Met hangende oortjes kruip ik schuldbewust naar hem terug en ga netjes zitten, gehurkt, met mijn voorpoten op de grond, recht voor zijn voeten. Deemoedig buig ik mijn hoofd omlaag:
ben ik echt zo stout geweest?
Gelukkig is mijn baasje niet boos en voel ik zijn hand over mijn bolletje aaien.
“Goed zo, Seda, braaf.”
Dat is het teken waarop ik wacht en dankbaar kijk ik naar hem op.
Liefdevol strijkt zijn hand langs de zijkant van mijn borst en tapt waarderend tegen mijn huid.
Hij stapt om me heen tot achter me en buigt voorover. Zo haakt hij de riem vast.
“Brave hond, Seda, keurig, je hebt heel goed geluisterd.”
Zijn armen slaan om me heen en ik voel zijn handen aaien over mijn buik. Ik houd mijn adem in, want mijn borsten hangen vlak boven zijn handen en wacht gespannen af wat er verder gebeurt.
Wanneer zijn handen om mijn borsten vouwen sluit ik mijn ogen. Huiverend onderga ik het aaien, zijn strelingen over mijn borsten voelen zo goed aan.
“Mooie hond, lieve Seda,” zijn woordjes die ik vaag hoor, terwijl hij doorgaat met zachtjes kneden. Mijn tepels rollen door zijn handpalmen, bieden weerstand aan zijn drang. Vingertopjes plukken bedachtzaam aan mijn
puntjes.
Golven van genot kringelen uit mijn borsten en zetten me in vuur en vlam. Ga alsjeblieft door, het voelt zo heerlijk, je handen op mijn huid.
“Kom maar mee naar binnen”, fluistert S. me in mijn oor “dan krijg je eten.”
Om mijn liefde voor mijn baasje te tonen geef ik een likje over de handen die me zojuist zo overheerlijk streelden.
Binnen pakt mijn baasje een wc-papiertje en veegt mijn billen af. Het vochtige doekje voelt koud aan tegen mijn gaatje, maar ik word wel schoon. Een nieuw nat doekje veegt de druppeltjes van mijn propje en dan mag ik
eindelijk eten.
De trimsalon
Nadat ik mijn bakje leeggegeten heb moet ik mee naar de badkamer, waar ook ik gewassen word, net als Sammy van de week.
Op mijn vier poten zit ik in het bad en laat mijn baasje warm water over me stromen. De wrijving van het washandje over mijn huid zorgt ervoor dat ik ga gloeien en mijn velletje rozig wordt.
Alleen mijn propje en mijn gaatje doet hij niet met het washandje, dat doet hij gewoon met zijn blote handen.
Mijn baasje is best stout, want af en toe duwt hij een vinger ergens bij me naar binnen. Dat voel ik natuurlijk, net zo als ik het voel wanneer hij over het kleine knopje boven mijn propje wrijft. Een raar gevoel stijgt op in mijn
buik en ineens voel ik de spieren van onderuit krampen. Het voelt wel lekker, wat mijn baasje doet. Wat een lief baasje is het toch!
Zelf heeft hij zich helemaal uitgekleed bij het baden. Hij wil zelf niet nat worden als hij me wast, denk ik maar.
Na mijn bad droogt hij me af en föhnt mijn haren. Hij gaat wijdbeens op een stoel zitten en roept me bij zich.
“Kom voor Seda, dan kan ik je borstelen.”
Gehoorzaam steek ik mijn kop tussen zijn knieën, zodat hij bij mijn haren kan. Met lange slagen borstelt hij de manen op mijn kop tot alle haren glimmen en legt ze op mijn rug.
Als ik recht vooruit kijk, zie ik het slangetje van mijn baasje voor me zwaaien. Met mijn neus vooruit ruik ik eraan, zoals honden dat doen en ik vind het best een lekker geurtje. Brutaal steek ik mijn tong uit en lik aan het
slangetje. Net als vanmorgen bij het bed komt zijn slangetje omhoog tot het een stijf stokje is en naar me wijst. Het tuitje zit vlak voor mijn bek en speels hap ik ernaar.
“Af”, hoor ik mijn baasje zeggen “dat mag niet.”
Schichtig trek ik mijn kop terug en kijk teleurgesteld naar beneden.
“Spring eens op de tafel. Er is nog een plekje dat ik moet borstelen.”
Soepeltjes spring ik op de tafel en wacht af wat mijn baasje wil.
“Down”, hoor ik en ik ga op mijn buik op de tafel liggen.
“Rol”, is het volgende commando en zoals mijn baasje me geleerd heeft, rol ik op mijn rug.
Hij pak mijn pootjes en legt die uit elkaar tot ik wijdgespreid voor hem lig.
“Dat moet nodig getrimd”, zegt hij kordaat, nadat hij nauwlettend mijn vachtje heeft geïnspecteerd.
Eerst borstelt hij mijn krulletjes en het moet gezegd; daar is mijn pubispelsje wel aan toe. Mijn vachtje daar is uitgegroeid, voor het eerst sinds lange tijd. De haren van de borstel glijden door de krulletjes en zetten mijn
propje opnieuw in vuur en vlam. Daarna is het schaartje aan de beurt.
Haartje voor haartje knipt mijn baasje alles kort tot er een perfect getrimd baantje overblijft. Regelmatig borstelt hij de afgeknipte haartjes uit het pruikje en bewondert hij zijn werk. Ik voel zijn ogen bijna branden op mijn
propje en ik raak steeds meer opgewonden. Meer dan een half uur staart mijn baasje tussen mijn pootjes en ik verdenk hem ervan dat hij van de aanblik geniet.
Nabespreken?
Die hele dag speelt S. vol overtuiging baasje en de volgende keer is het van hetzelfde laken een pak.
De rollen wisselen elkaar elke dag af en na vijf keer en bijna twee weken later is het spel ten einde en praten we na. Deze laatste scène van mijn droom speelt zich af in de studeerkamer.
S. zit in de fauteuil voor het bureau.
Ik vraag hem hoe hij de rollen van hond en baasje heeft ervaren en of hij er wat van heeft geleerd. Zijn antwoord verbaast me niets.
Ik draai mijn rug naar S., mijn bovenbenen tegen de rand van het bureau. Achter het venster hupt een ekster in de palmboom midden op het gazon.
S. is ver gekomen en ik verwacht dat hij zelfbewuster is en dingen onderneemt.
“Waaraan denk je?” vraag ik.
Geritsel achter me.
Handen tegen mijn schouders nopen me te buigen; diep voorover over het bureau. De zoom van mijn jurkje wordt op mijn rug gelegd en mijn slipje naar mijn knieën getrokken. Iets glads en hards floept van onder tegen
mijn uitpuilende lipjes en een glimlach verschijnt rond mijn mond. Doel bereikt!
S. stapt naar achter en ik weet dat hij mijn kontje bewondert. Leunend op mijn ellebogen kijk ik achterom en ja, daar staat hij, vlak voor de fauteuil. Een pracht van een lul wijst zwaaiend naar mijn naaktheid, de eikel glimt
vochtig in het licht. Met open mond en zijn blik gefixeerd op mijn billen stapt hij op me toe en bukt en reikt naar mijn broekje.
Genietend langzaam gaat het lager, tot het op mijn enkels hangt en S. een voet in een hoge lakpump uit het broekje tilt.
Vragend werpt hij een blik omhoog. Tussen mijn benen, hoop ik! Waarna ook de andere voet uit het broekje gaat.
S. plaatst mijn voeten op schouderbreedte, en streelt met beide handen langs mijn enkels.
Ik voel bijna dat hij m’n kutje bewonderd, wanneer zijn handen mijn kuiten omvatten, door mijn knieholten trekken en achterlangs mijn dijen tot op mijn billen schuiven. Het is een herontdekkingreis over mijn lijf.
Vanaf mijn heupen rolt hij mijn jurkje omhoog tot over mijn borsten. Inschikkelijk til ik mijn armen op, zodat hij het textiel van me af kan nemen. Achteloos smijt hij het weg naast het bureau.
Zijn handen vinden op mijn rug de sluiting van mijn beha en wanneer ook die weg is, sta ik daar bloot, op mijn hooggehakte pumps na.
Net als die eerste keer, grijpen zijn handen om me heen en speelt hij met mijn borsten. Vanaf mijn buik schuiven de handen omhoog en als S. mijn borsten lift, kreun ik van genot. Warme handen sluiten zich om de
heuvels en duwen ze omhoog, alsof hij ze wil wegen op zijn hand. Ik voel de palmen over de tepels schuiven, tepels die op springen staan.
In de spleet tussen mijn billen voel ik zijn stijve. Onze lijven plakken aan elkaar.
Vanaf mijn borsten verkennen de handen verder naar boven, langs mijn hals naar mijn oren. Langs de wangen dalen ze af, daar strelen vingertoppen mijn keel, over de spieren van mijn schouders en kruipen ze langs
mijn romp terug tot op mijn heupen en houden me daar beet.
Zachtjes bijt hij in mijn nek, drukt kusjes op mijn schouders. Elke wervel krijgt een zoen.
Hij hurkt, zuigt klapzoentjes op mijn billen en staat op.
Dan moet ik plat op het bureaublad gaan liggen, mijn borsten liggen geplet op het koude hout.
Opnieuw voel ik zijn jongen tussen mijn billen rusten, als zijn handen me omlaag drukken tegen het blad. Innig krieuwelt hij over de rugspier langs mijn wervels en langzamerhand zak ik weg in een geiligheid die geen
grenzen kent.
Alles wat zijn handen doen doet me rillen, mijn lijf smeekt S. om verder te gaan, mijn velletje overal te beroeren. Met mijn hoofd plat op een oor en mijn armen wijd op het bureaublad, zucht ik diep door de hitsige
gevoelens die bezit van me hebben genomen. Het gevoel vertaalt zich naar mijn onderbuik en ik drijf. Heftig druk ik mijn bilspleet tegen zijn prachtlul aan, bijna heeft hij me zover dat ik hem smeek. Hem smeek me te
naaien, zijn lul in me te schuiven en me te geven wat ik wil.
Van de week was ik gewoon een teefje, nu ben ik loops en tot paren bereid.
“Neuk me,” roep ik krols, “ik wil je in mijn kutje voelen. Neem me op z’n honds.”
Zijn lul schuift tergend langzaam tussen mijn benen. Ik voel de warmte tegen mijn spleet en de eikel op mijn liefdesknop. Drukken, drukken, drukken tot ik er gek van word. Ik kan niet langer wachten, smacht naar zijn lul,
als ik hem hees in mijn oor hoor fluisteren.
“Vraag het dan, zeg het me. Zeg dan dat ik mijn lul in je kut moet schuiven. Zeg dat je niet langer zonder kan. Vooruit, zeg me dat je hard genaaid wil worden. Kom op, zeg het me dan!”
Ik ben niet langer een denkend wezen, maar een slaaf van mijn onderbuik. Zijn pik tegen mijn kut en knopje dwingt me en ik gil verloren “Ja, neuk me, grijp me, kees me, wat je wilt, maar doe!”
Wanneer hij eindelijk in me komt veeg ik in extase alles om me heen van het bureau. Alles dondert op de grond. S. hangt bovenop me en hij blaast hete adem in mijn oor. Wild slaan mijn armen om me heen,
oncontroleerbaar, gek van genot.
Ik kan me nauwelijks bewegen. Mijn lichaam, mijn wang liggen platgedrukt tegen het bureau, mijn dijen klem tegen het bureau. Dan veert hij op, pakt me opnieuw bij mijn heupen en begint te stoten, hard, diep en snel.
Met mijn hoofd in m’n nek vang ik de woeste beuken op en stoot mijn kont hem tegemoet. Steeds voel ik hem bijna ontsnappen tot een heftige stoot mij weer aan hem spietst. Volledig aan zijn bonken overgeleverd
verkramp ik, houd mijn adem in. Een hand van hem schuift onder mijn buik door en vingert mijn klitje, tot ik om zijn pik ontplof.
Mijn voorhoofd bonkt onbeheerst tegen het blad aan, maar ik voel geen pijn, alleen de overweldigende sensaties in mijn lijf. Mijn kut is het centrum van een kleine wereld als ik verdoofd voor al het andere, S. voel spuiten
in mijn lijf. En ik? Ik zit muurvast gekneld tussen het bureaublad en zijn pompende heupen.
Na minuten glijdt hij uit mijn grot. Ik voel het sperma druipen langs een been, hang meer dan voldaan slap als een vaatdoek over het bureau. Zweet prikkelt op mijn huid als het koud wordt en ik me opricht.
Ik zie hem staan. Nu slap, en pak het spulletje beet.
“Dat was heerlijk, Carlijn.”
“Nee! Dat was goddelijk, S.!”
Dank je, GVR, voor je overheerlijke droom!
Of deze aanpak hem geholpen zou hebben? Dat interesseert me eigenlijk geen ene zier!
Wat me interesseert is dat in dromen alles kan en mag. Het speelt zich af achter gesloten gordijnen, het mag ondeugend zijn, niemand kan het zien. Het blijft, als je wilt, opwindend clandestien.
Wakker
Wanneer ik mijn ogen opensla, zie ik je naast me liggen. Ik wrijf mijn ogen uit en weet dat ik heb liggen dromen. Volgens een song zijn de meeste dromen bedrog.
In de schemerzone tussen slapen en waken voelt het alsof ik het gedoe met S. echt beleefde, zoals een hallucinatie.
Ik draai me naar je toe.
Je ligt dichtbij me en ik voel je slaapadem tegen mijn gezicht. Je trekken zijn ontspannen en, mooie jongen die je bent, je bent mijn droomvent.
Dan word je wakker en je kijkt me aan met die doordringende ogen.
Voorzichtig rek je je uit, span je je spieren en lacht me toe.
Zodra je me aankijkt ga ik over je buik zitten, buig me voorover.
Wulps steek ik mijn tong uit en lik je gezicht. Over je ogen die je sluit, langs je neus en rond je mond. Als een onderdanige puppy. Nu pas word je echt wakker en je laat me begaan. Achter me voel ik ‘iets’ groeien, tegen
mijn billen, en ik vertel je mijn droom. Dankbaar voor de GVR.
Abrupt gooi je me van je af en neemt me mee, aan de hand, naar mijn werkkamer.
Met een arm veeg je alle papieren in een zwaai van de tafel die dienstdoet als bureau, zet me klem met mijn bovenbenen tegen de rand en vouwt me voorover, met mijn borsten geplet op het blad. Je kruipt achter me,
waar je me beklimt, je voorpoten op mijn schouders legt en me neemt.
Het heerlijke gevoel van je stormram giert omhoog in mijn lendenen. Je paart met me Ro, meedogenloos, en geloof maar dat ik geniet!
Een keer in de zoveel tijd komen dromen uit!
Met dank aan:
Marco Borsato
Roald Dahl
Pieter van de Ven
* brain-derived neurothrophic factor

Ook nu weer dansen beelden van onze vakantie door mijn hoofd.
Beelden van die keer dat we onder een sterrenhemel de nacht doorbrachten, op die ongenaakbare berg, aan de ander gekleefd in aan elkaar geritste slaapzakken. Het was kraakhelder, tot middenin de nacht de zondvloed brak. De hemel stortte de complete inhoud van grijsgrauwe regenwolken over ons uit. In een mum was alles doorweekt, de rugzakken, de slaapzak en wij. Er was geen redden aan.
Daar stonden we, op die berghelling, kletsnat en naakt in de kilte na de hoosbui, alleen met elkaar. Samen hebben we het tentje opgezet en kropen terug in de slaapzak, huid tegen huid. Voor het eerst van mijn leven heb ik die nacht in een kleffe slaapzak liggen vrijen. De slaapzak droogde door de hitte van ons liefdesspel.
En même temps les déluges.
Die gebeurtenis was een van die vele momenten waarop ik hem liefheb; geen gezeur, geen geklaag, alleen die jongenslach om het misfortuin en de humor in zijn ogen.
|
|
STILTE
Juist in de stilte tussen door grote koude aangeslagen akkoorden daar laat het zich verwoorden.
J. Bernlef
|
|
Ik moet het nu even uitleggen.
Als je als persoon geen alternatieven hebt, bouw je soms je identiteit op, op basis van je probleem. Je probleem wordt een belangrijk deel van je zelfbeeld. Als dat verloren dreigt te gaan, er een crisis dreigt zeg maar, graaf je jezelf dieper in om ten koste van alles dat probleem en daarmee je identiteit, je zelfbeeld, te behouden. Want verandering is eng. Elk mens is geneigd verandering tegen te gaan, want het maakt je onzeker en je wilt houden wat je hebt. Zelfs als het een negatieve identiteit is. Dan is er die hulpverlener die probeert dat alles te veranderen. Wat is er logischer dan dat je daar tegen teweer stelt? Je gaat je verzetten, jij tegenover die helper. De hulpverlener zegt doe dit, jij doet dat. Hij: het is zwart, jij: het is wit.
Je kunt het ook tactisch spelen.
Soms speel je als geholpene het spelletje van de hulpverlener mee. Dat voelt lekker, bij die hulpverlener, maar in je hoofd bied je verzet. Net doen alsof! Dan bouw je een harnas om je identiteit tegen de aanvallen erop te beschermen. Het wordt een steekspel: de ridder die het langst te paard blijft zitten wint! Hij heeft door zijn ervaringen met al die hulpverleners een zeer stevig harnas opgebouwd, dat alle ‘aanvallen’ van buiten die hem kunnen ‘beschadigen’ weerstaat. Hulp moet daarom van binnen komen. Uit hem en niet uit mij. Hij wil dat ik meespeel? Ik ga tegenspelen, de druk van binnenuit flink opvoeren.
|
|
Jijzelf
Jij kent die paradox.ook, ga het maar na bij jezelf.
Herinner je niet een situatie dat iemand zei ‘dat kan ik niet hoor!’ Of dat een ander dat tegen jou zei? Op school of zo, en dat je dan kon verwachten dat jij of je klasgenoten of je mentor zeiden ‘ach joh, dat kun je heus wel, als je het maar probeert.’ Medeleven. Wat voelt dat goed! En dat die ander, of jij, de gevraagde aandacht kreeg maar dat dit uiteindelijk niets hielp? Plots was er dan iemand, misschien was je het zelf wel tegen die ander, die zei: ‘oké, je kan het niet. Je kunt er net zo goed mee stoppen en dat juist dat de ander (of jezelf) de energie gaf om door te zetten. Ik zal ze eens laten zien dat ik het wel kan.
Motivatie uit je Ik!
|
|