De Grot, slot
16

Wat ze beiden nog niet ontdekt hadden, was de oorzaak van de warmte in de grot waarin ze zaten. Twintig meter verder vonden ze die.
“Jeetje, een warme bron,” riep Bernard verbaasd uit.
“Verrassend ja,” reageerde Cathy, “dat is nou een geothermische wel. Ergens onder onze voeten moet het vloeibare gesteente vrij dicht aan de oppervlakte komen. Geologisch gezien dichtbij dan en daar komt al die
warmte vandaan.”
Het water was net als het water in het meer kristalhelder, alleen veel warmer, zoals Cathy merkte toen ze behoedzaam een hand in het water stak.
“Behoorlijk heet zeg. Weet je wat ik ga doen? Ik ga er in en me afspoelen,” en zonder te dralen ritste ze haar overall open en stapte er uit.

Met haar blote billen op de rand en haar voeten in het water bengelend, liet ze zich soepeltjes in de bron zakken. Het water was warmer dan ze dacht, heet eigenlijk, nog net draaglijk.
“Kom je niet?  Het is echt heerlijk hoor. Gewoon een verademing na dat koude water van het meer,” en ze liet zich onder water zakken.
Proestend kwam ze boven. Natte, donkerbruine haren plakten aanlokkelijk rond haar gezicht.
“Mmm,” murmelde ze, terwijl Bernard naast haar de wel in gleed.
Ook hij dook onder en spoelde het vuil van de grot van zich af.

In het midden van de bron welde het hete water omhoog en ze voelden het behaaglijk langs hun voeten, benen en romp vloeien. Dit was het heetste water recht uit de bron onder hun voeten. Het verdreef het al wat
afgekoelde water aan de oppervlakte naar opzij. Dat koelere water stroomde naar de zijkant van de bron, waar het door zijn zwaardere soortelijk gewicht omlaag zakte. Het was bijna een natuurlijk circulatiebad waarin
ze dobberden.
De ontspannende stroom heet water langs hun lijven voelde als balsem voor hun geteisterde spieren. Hun huid werd roze door de zich openende bloedvaten en het verse, zuurstofrijke bloed ontsloot nieuwe energie in
hun spieren. De weldadige, masserende stroom tegen en langs hun geslachtsorganen bezorgde zowel Cathy als Bernard een mild zinnelijk gevoel. Lang duurde het dan ook niet lang of onderzoekende handen
verkenden de curven van het lichaam van de ander.

Bernard streelde de rozige borstjes van Cathy en zij sloot een hand rond zijn stijve lid. Lippen zochten en vonden elkaar in de bedwelmende hitte van het water. Hij hield haar omarmd en zij vouwde haar handen om zijn
ballen en om zijn staaf.
“Vind je het lekker, wat ik doe?” lispelde ze ondeugend in zijn oor.
Haar kleine handjes bewogen zijn voorhuid heen en weer over de eikel en gleden over de strak staande stam op en neer.
“Zalig. Het is heerlijk. Je handen zijn zo zacht.”
Cathy streelde en kneedde de kloppende pik en opeens stroomde zijn hom naar buiten.
Witte slierten spoten in het water van de bron en dwarrelden met de stroming mee omhoog. Het was een opwindend gezicht;  de lange stralen witachtig vocht, onvoorspelbaar kronkelend, meegevoerd in de opwaartse
stroom.
Cathy speelde er mee.

Een hand bleef om zijn stijve gevouwen en de ander roerde door een slingerende sliert sperma. De hand kliefde de sliert tot korte stukjes, die tot bolletjes samentrokken en aan de oppervlakte zijwaarts dreven om mee
te zinken met het afgekoelde water, terug naar de oorsprong van de bron.
Ze voelde hoe zijn lid tussen haar vingers verslapte, zoende hem nog eenmaal op zijn mond en klom de kant op.
Schoongespoeld en aangekleed stonden ze aan de andere kant van de wel. Rozig door het hete water, maar voldaan en opgeknapt en vol nieuwe hoop togen ze verder, hopelijk een uitgang tegemoet.

17

Een dun filmpje water glinsterde in het licht van hun lampen en stroomde over de bodem met hen mee, dieper de grot in.
Abrupt eindigde het redelijk vlakke stuk bodem waarop ze liepen en voor hen doemde een nieuw obstakel op. De gang liep steil naar beneden en stond vol water.
Door een minieme opening boven hen voelden ze de door de bron opgewarmde lucht wegstromen.
“Dat is waarschijnlijk de lucht die we door de schoorsteen naar binnen voelden stromen,” merkte Cathy op.
De opening waardoor de lucht ontsnapte, was niet breder dan een polsdikte en daar konden ze onmogelijk gebruiken van maken. Lichtelijk aangeslagen keek ze omlaag.

“Ik ben bang dat we weer het water in moeten en dit keer ziet het er niet zo uitnodigend uit als die wel. Ik had beter mijn overall uit kunnen laten, want dit wordt alweer zwemmen. Gelukkig is de temperatuur redelijk. Het
lijkt er op dat een deel van de grot door het overstromende water uit de bron is gevuld.”
Cathy wees op het nauwelijks noemenswaardige stroompje warm bronwater dat over de rand de gang beneden hen instroomde.
Ze tuurde zover ze kon het water in, maar ondanks de helderheid, kon ze in het licht van de Maglite geen bodem ontdekken. Slechts een blauwachtige gloed, zover ze kon kijken.

“Zal ik het eerst verkennen? We zullen toch uit moeten vinden of we er door kunnen en hoe ver deze tunnel loopt. Ik bind wel een touw om mijn middel, dan kan jij dat vieren. Deze tunnelbuis moet een communicerend vat
met de tunnel aan de andere kant vormen, dus ergens moet de buis weer omhoog lopen. Ik hoop alleen dat de buis niet te lang is. Als ik het haal, zal ik op het diepste punt een ruk aan het touw geven en dan moet jij de
oppervlakte markeren op het touw. Doe er maar een stukje leukoplast om.
Wanneer ik terug ben weten we daardoor precies hoe ver we onder water zullen moeten zwemmen en duiken. Wat vind je ervan? “
“Dat is goed. Ik ben sowieso geen erg goede zwemmer, dus als jij het wilt doen ben ik oké. En ik hoop met je dat het niet te diep is.”

Voor de derde keer stond Cathy even later in haar blootje.
“Het is wel je dag hè? grapte ze naar Bernard die stond toe te kijken terwijl ze haar overall uittrok. Wulps maakte ze een dartel danspasje en bond daarna snel een klimtouw om haar middel en liet zich in het water
zakken.
“Zodra ik een ruk geef markeer je de diepte hè? Als je die ruk voelt, geef dan een ruk terug zodat ik weet dat je de mijne hebt gevoeld.
Bernard knikte.
“Als ik nog adem heb ga ik daarna misschien nog verder, dus je moet het touw blijven vieren. Nou, tot straks dan maar.”
Ze haalde een paar keer diep adem en met een sierlijke hoekduik verdween ze onder water. Het laatste stukje Cathy dat Bernard zag was haar kontje, gevolgd door haar benen die rechtstandig het water in gleden.

Onder water zwom Cathy met de schoolslag de diepte in. Om niet teveel druk op haar longen te krijgen liet ze de lucht erin met kleine belletjes door haar neus ontsnappen. Naarmate ze dieper kwam nam de druk op
haar oren toe. Ze slikte een keer en het nare gevoel was op slag verdwenen. Dat was het probleem niet. Het meest angstaanjagende van alles was het duister.
Het licht van de Maglite waarmee Bernard in het water scheen reikte niet veel dieper dan een meter of 5 en vanaf dat punt moest ze op de tast verder.

Doordat de druk op haar longen niet verder toenam, merkte ze dat de tot dan toe steile tunnel horizontaal begon te lopen en ze vermoedde dat ze het diepste punt bereikt had.
Ze stopte met zwemmen en gaf een snelle ruk aan het touw. Die werd direct beantwoord en omdat ze nog geen behoefte had op te stijgen, zwom ze een klein stukje verder tot ze aan de wand voelde dat de tunnel
omhoog begon te lopen.
Zo te merken was de doorgang vrij en ze besloot terug te keren.

Terug bij Bernard vertelde ze wat ze was tegen gekomen en maten ze de afstand tussen de leukoplast en de knoop op de rug van Cathy. Dat bleek nog altijd zo’n elf meter te zijn.
“Het is geen elf meter diep hoor,” stelde ze hem gerust, “ik denk een meter of 7/8 en dan loopt de gang een kort stukje horizontaal en begint te stijgen. Het lijkt een soort sifon te zijn. Al met al denk ik dat het een duik van
een kleine 25 meter wordt. Haal je dat?”
“Het zal wel moeten. Hoe wil je het gaan doen?”

“Jij lijkt me niet al te zeker van je zwemcapaciteiten, dus het lijkt me het best als ik eerst helemaal tot aan de andere kant ga. Ik knoop twee touwen om mijn middel, dat blauwe en dat groene.” Ze wees de touwen aan.
“We doen al onze spullen in de rugzakken en de lampen en de rest wat niet tegen water kan in de Water Booster die we hebben. Dan blijft dat in ieder geval droog. Die rugzakken binden we aan het blauwe touw en dat
trek ik naar de andere kant. Zodra het daar is, kom jij.
Jij moet het groene touw onder je oksels binden. Zodra je voelt dat ik het strak trek kun je komen. Je zult tot het diepste punt zelf moeten zwemmen, maar als je daar eenmaal bent en een rukje aan het touw geeft, trek ik
je omhoog. Dan gaat het vlugger en ben je eerder boven.
Weet je wat je moet doen als je zo diep duikt?”
Bernard schudde zijn hoofd.

“Zodra je onder water bent voel je de druk op je longen toenemen. Dat voelt onaangenaam en dat versterkt je aandrang om naar de oppervlakte terug te keren. Het beste is om heel langzaam belletjes lucht uit te blazen,
dan voorkom je dat rotgevoel. Bovendien maakt dat, dat je makkelijker kunt duiken, want je longen fungeren anders als een heel sterk drijfmiddel.
Je zult ook merken dat de druk in je oren stijgt, dat komt door het drukverschil tussen je oren en je neus/keelholte. Net als in een vliegtuig. Als je slikt is dat weg.
Kom, trek je overall uit en laten we alles in de rugzakken doen. Alles zal nat worden maar daar kunnen we niets aan doen.”
Snel werden de rugzakken gevuld en aan het touw gebonden en voor de tweede keer zag Bernard het kontje van Cathy onder water verdwijnen.

De duik verliep precies volgens plan. Al met al vond Bernard het meevallen, zeker ook dankzij Cathy.
Het vervelendste was dat ze aan de andere kant van de sifon natte overalls aan moesten trekken.
“Kom,” opperde ze, “laten we maar snel verder gaan, die overalls drogen wel.”

18

Voor hen lag een gang die vrijwel recht leek te lopen, waardoor ze rap opschoten. En toch school er gevaar.
Het was maar goed dat ze hun lampen konden gebruiken, want opeens doemde voor hun voeten  een breed en diep gat op. Hadden ze in het donker hun weg moeten zoeken, dan was het niet denkbeeldig geweest dat
ze er in getuimeld waren.
Het was het zoveelste obstakel dat hen belette de uitgang te bereiken. De grot leek wel behept met een eigen wil en vastbesloten te voorkomen dat ze ooit nog de buitenwereld bereikten.
In het licht van de Maglite bekeken ze de bouw van de put die hen de doortocht belemmerde.

Gladde, overhellende wanden daalden af tot een diepte van een meter of 5/6. Kleine steentjes en keitjes, in de loop der jaren uit het plafond boven hun hoofden gevallen, lagen verspreid over de bodem. De bodem leek
droog en zo te zien was er geen andere uitgang. Het was inderdaad niets meer dan een put. De naar de uitgang neigende wanden maakten het onmogelijk eruit te klimmen als je er eenmaal in gevallen was en geen
hulp had. Zelfs met het klimmateriaal dat ze bij zich hadden zouden ze er onmogelijk uit komen.
En dus hadden ze een probleem. Hoe moesten ze aan de andere kant komen?

Ondanks dat de put slechts een meter of tweeëneenhalf breed was, leek springen onmogelijk. Er was bijna geen hoofdruimte en dat belette een sprong, waarbij altijd een boog ontstaat. Vlak springen, zelfs over zo’n
korte afstand, kon mechanisch gezien gewoonweg niet.
De gang aan de overkant leek kaal te zijn, gelijk aan de gang waar ze stonden. Zonder uitsteeksels waar een touw omheen geworpen kon worden konden ze met hun klimtouwen ook niet iets van een overspanning
fabriceren.
Het enige dat overbleef was een smalle richel die rechts van het gat langs de wand liep, een richel van nauwelijks 20 centimeter breed en op sommige stukken zelfs nog minder.
Het was weer Cathy die een mogelijke oplossing vond.

“Volgens mij zie ik daarachter licht. Misschien is daar een uitgang en we zullen over die richel moeten. Hij is smal, maar we moeten het proberen. Laten we het net doen als bij de sifon.”
Zonder een antwoord af te wachten bond ze het ene klimtouw om haar borst, onder haar oksels door, terwijl Bernard met het andere uiteinde hetzelfde deed om zijn borst. De rugzakken werden aan het tweede touw
geknoopt.
“Ik ga eerst. Ik ben het kleinst, dus ik moet het makkelijkst over die richel kunnen komen. Hou jij het touw een klein beetje strak en zet je schrap voor als ik val. Als ik uitglijd breek dan mijn val en trek me alsjeblieft op.
Het uiteinde van het tweede touw neem ik ook mee. Wanneer ik aan de andere kant ben trek ik de rugzakken over. Dan pas kom jij en ik doe hetzelfde bij jou. Zo moet het lukken, toch?”
Ze bracht het alsof het een eitje was wat ze ging doen, maar inwendig was ze helemaal niet zo zeker dat het zou lukken.
Met haar gezicht opzij naar de overkant gedraaid zette ze haar linkervoet op de richel, haar armen wijd gespreid.

Uiterst voorzichtig en zich zoveel mogelijk tegen de gelukkig iets terughellende wand aandrukkend schuifelde ze voetje voor voetje over de richel. Ze moest maar hopen dat deze stevig genoeg was om haar gewicht te
dragen en dat ze erop kon blijven staan. Er was geen manier om dat uit te testen, dus ze moest er maar op vertrouwen.
Ze keek niet op of om, maar fixeerde haar blik op een vast punt aan de overzijde en tastte met haar linkervoet om een standplaats te vinden, voor ze de rechter bijtrok.
Het kostte haar moeite haar lichaamsgewicht recht boven haar smalle steunvlak te houden. Dat ze geen schoenen aanhad maakte het extra moeilijk. Ze balanceerde min of meer op de ballen van haar voeten en op
haar tenen en dat was verre van stabiel. Voor het eerst in haar leven was ze echt blij met haar lage cupmaat.

Tweeëneenhalve meter was het slechts en eerst leek het niet zo lang, maar omdat ze zo langzaam vorderde begonnen haar kuitspieren al gauw te vertellen hoe zwaar het was. Ze moest om haar hiel omhoog te houden
de kuitspieren continu aangespannen houden en dat was een ongewone houding voor die kuitspieren. Ze verzuurden en verhardden met elke seconde die verstreek.
Vlak voor ze de overzijde bereikte en op het moment dat ze wist dat ze er bijna was, kreeg ze een bijna onweerstaanbare drang om sneller te gaan en naar de veiligheid te springen. Met alle wilskracht die ze op kon
brengen verzette ze zich tegen die aandrang, want die kon maar tot een ding leiden: een duikeling de put in.

Beheerst tot het laatst bereikte ze veilig de overzijde en trok de rugzakken over de put. Ook Bernard slechtte het obstakel zonder kleerscheuren en voor het eerst sinds ze de Aardmuil binnenstapten zagen ze licht voor
zich, ver weg nog, maar onmiskenbaar zonlicht en groeide hun optimisme.
Als motjes verleid door lamplicht spoedden ze zich naar het licht, extatisch dat ze het gered hadden. Een brede grot scheidde hen nog van het licht en de uitgang werd groter en groter, toen plotseling de klap kwam. En
die kwam hard aan!

Tegen de achtergrond van het felle zonlicht achter de uitgang van de grot, doemde ineens het silhouet op van de Man. Met zijn armen wijd geheven stond hij daar plots, een donkere schim, onheilspellend groot, als een
wajang schaduwpop op het scherm.
“Hallo schatje,” bulderde zijn stem hen tegemoet, “en met je vriendje nog wel. Niet gedacht hè, dat je me nog eens zou zien? Hoopte je misschien dat ik onder die instorting lag? Jammer voor je, maar ik vond een andere
weg. Ik zei toch dat ik je zou krijgen. Kom maar bij pappa!”
Een onbeschrijflijke haat nam bezit van Cathy toen ze de uitgang naar de vrijheid door het gedrocht geblokkeerd zag.
“Terug,” siste ze tegen Bernard, “we gaan terug de gang in. Kom mee.”

Laaiend was ze. Stranden in het zicht van de haven? Dat nooit! Al was het de laatste daad van haar leven, ze moest en zou die misgeboorte van een vent een lesje leren dat hem zou heugen.
“Waar wil je naartoe?” vroeg Bernard terwijl zij hem nu eens voortsleepte.
“Terug naar die put. Daarachter zijn we veilig. Hij kan nooit in zijn eentje over die richel en als hij het toch probeert stoten we hem erin. We moeten wat verzinnen. Weet je nog wat je zei toen ik Jasper wilde gaan helpen?
Je zei: Brute kracht heeft geen zin tegen die vent. Alleen als we onze hersens gebruiken kunnen we hier uit komen.
We moeten een plan verzinnen om langs die vent te komen. Zijn kracht zit in zijn spieren, de onze in onze hersens. We kunnen hem alleen verslaan als we die gebruiken.”

Godzijdank kwam de Man niet achter hen aan, want dan was het nog tricky geworden. Wel  hoorden ze voortdurend zijn zware stem door de grot schallen.
“Schatje, kom dan. Joehoe. Ik krijg je toch wel. Je kunt er niet uit. Kom, dan gaan we lekker samen spelen.”
De Man scheen er genoegen in te scheppen een spelletje met hen te spelen, de tijd te rekken en hun angst op te voeren.
Cathy en Bernard luisterden er echter niet naar. Ze keerden terug op hun schreden,  naar de put, waar het tafereel met de klimtouwen zich herhaalde, in omgekeerde richting.

Zoekend en denkend kieperde Cathy de inhoud van de rugzakken op de grond, op zoek naar  bruikbare materialen. Ze moest gewoonweg een plan verzinnen.
De inhoud van de rugzakken was niet veel: twee handdoeken, de gasdruklamp, hoofdlampen, een stel klimtouwen, de geologenhamer, de EHBO-doos, het zeil, nog een overall en wat pennen en nuts. Verder was er
alleen de water booster met het restant van de pakjes Sultana biscuits.
Zittend met haar rug tegen de muur maakte ze een pakje open en gaf het tweede pakje aan Bernard. Ze had er een met bosvruchtensmaak. Was dat een teken? Zou ze ooit haar geliefde bossen nog zien of zou ze hier
sterven, misbruikt en vermoord door de Man?

Een half uur lang zat ze stil te denken, liet de beschikbare materialen vrijelijk door haar hoofd associëren. Abrupt stond ze op. Ze rommelde wat met de spullen die voor haar uitgestald lagen en dacht terug aan haar
eigen woorden van zojuist: ‘hij kan nooit in zijn eentje over die richel en als hij het toch probeert stoten we hem erin.’ Een plan ontwikkelde zich.
Ze bekeek het zeil nauwkeurig. Het was dun, maar sterk, en drie passen lang.
“Drie meter,” mompelde ze in zichzelf, “gaat misschien net. Hoeveel pennen hebben we? 12, dat zou genoeg moeten zijn. En het touw en wat nuts. Dat wordt het moeilijkst om te doen, maar ik heb geen keus.”

Het plannetje dat tot hun vrijheid moest leiden groeide in haar hoofd en toen ze zo zeker was als ze maar kon zijn, legde ze het uit aan Bernard. Die schrok ervan, stoutmoedig en gedurfd als het was en verzon allerlei
argumenten om het niet uit te voeren.
“Als we hier uit willen komen moeten we iets doen. Weet jij iets beters?”
Beschaamd moest hij toegeven van niet.
“Dan rest ons niets anders dan dit. Help me. Ik wil hier niet werkeloos wegkwijnen. Als het fout gaat hebben we het tenminste geprobeerd. Je zei dat je van me houdt; laten we het in ieder geval samen proberen.”

Met een koppige blik op haar gezicht en een terugkerende jongensachtige bravoure, haalde ze Bernard over.
“Zal ik het niet doen?” probeerde hij nog halfslachtig, maar ze was vastbesloten.
“Nee. Ik moet het doen. Jij bent te lang, je kunt het niet. Bovendien moet hij mij hebben en niet jou.”
Ze gaf hem een kus op zijn lippen.
“Maar evengoed bedankt voor het aanbod. Jij moet me straks redden en dat kun je, dat weet ik. Kom, we gaan het voorbereiden.”
Een uur later waren de voorbereidingen afgerond en zei ze: “Ik ga nu.”
Dit keer zonder touw om haar lichaam stapte Cathy voor de vijfde keer op de richel. Aan de overkant draaide ze zich naar Bernard om.
“Ik heb het je nog niet gezegd, maar ik hou ook van jou. Wat er ook gebeurt, onthoud dat voor altijd,” en weg was ze, de Man tegemoet.

19

“Hé, gore klootzak!”
Met een overslaande stem riep ze de Man aan.
“Vuile moordenaar. Kippenneuker. Je hebt dan wel zo’n grote lul, maar je maakt er niks klaar mee. Smeerpijp. Jasper in zijn kont neuken. Ha, ha, goor mannetje.”
Het ene na het andere scheldwoord wierp ze in zijn richting, klaar om weg te rennen. Ze wilde hem blind van woede maken, zijn ego kleineren. Hij mocht niet langer de macho zijn. Ze moest hem opfokken tot hij van
woede zijn kop zou verliezen en haar als een dolleman aan zou vallen. Daarop berustte haar plannetje.
“Hé, lulletje, je bent geen man genoeg voor mij. Krijg je hem alleen omhoog als een vrouw weerloos is? Stoer hoor! Zal ik jou ook eens wat vertellen? Ik lust jou ook rauw. Jezus, wat een zielenpiet met je mislukte pikkie!”

Aan zijn houding kon ze aflezen dat haar plan werkte. Tenminste, tot zover. De enorme armen hingen gespannen zijwaarts aan de kolossale schouders. Zijn ineengedoken houding verried zijn agressiviteit en plots
stormde hij naar voren.
Het gebeurde zo snel, dat Cathy een seconde lang aan de grond genageld stond voor ze zich omdraaide en rende voor haar leven, terug naar de put.
Met elke stap die hij nam naderde hij razendsnel. Ze hoorde zijn voeten zwaar roffelen, dreunende voetstappen die steeds dichterbij kwamen. Paniek sloeg op haar keel toen ze vreesde dat ze de afstand tussen hen
verkeerd had ingeschat en dat ze het niet zou halen. De adrenaline die tot in de kleinste bloedvaten door haar lichaam bruiste voorzag haar echter van een nieuwe impuls en ze zag het licht van Bernard voor zich
verschijnen, en het touw.

Alsof haar oren duizend keer scherper hoorden, klonken de galmende voetstappen van de Man vlak achter haar en met een immense krachtsinspanning rammelde ze de laatste meters onder haar voeten weg. Ik mag
niet misgrijpen, ik mag niet misgrijpen, ik mag niet misgrijpen, flitste het doorlopend door haar hoofd.
Bernard stond klaar. Met gestrekte armen en het draagstel van een rugzak hield hij het touw  klaar. Hij reikte het zover hij kon over de put heen. De lamp in zijn hand verlichtte het touw voor haar.
Alsof het tafereel voor hem versneld werd afgespeeld zag hij de schim van Cathy aan komen draven, met vlak erachter de reusachtige omtrekken van de Man. Het moest niet langer duren of hij zou haar grijpen.
“Springen Cat,” schreeuwde hij paniekerig en hij strekte zich zo ver mogelijk uit.

Cathy zag het lampje dat de rand van de put aanduidde. Ze hoorde de paniek in de stem van Bernard. Dat moedigde haar aan en precies op het juiste moment zette ze af voor de sprong, zo vlak ze kon en graaide met
haar handen naar het touw. In de fractie van een seconde dat ze zweefde, flitsten alle voorbereidingen die ze getroffen had en de vragen die dat opleverde door haar hoofd.

Had ze het wel goed berekend? Hoe zeker kon ze zijn dat het zou lukken? De foutmarge was aanzienlijk: ze wist niet precies hoe hard ze zou lopen met dat monster achter zich aan. Ze kon alleen maar een berekende
gok maken van haar snelheid bij de afzet voor de vlakke sprong. Hoe groot moest de hoek zijn waaronder ze moest springen? Hoe zeker kon ze ervan zijn dat de boog van haar sprong haar tot bij het touw zou brengen?
En stond Bernard wel met het touw op de goede plek? Er was zo weinig zekerheid! Zeker was dat de Man dicht op haar hielen moest zitten op het moment dat ze sprong, daar hing alles van af.
Dat alles speelde zich af in haar hoofd in dat onmeetbaar kleine deel van de seconde dat ze boven de put in de lucht zweefde.

Ze voelde de zwaartekracht aan haar gaan trekken, toen haar ogen het touw fixeerden en haar handen ernaar reikten. Heel even sloeg de schrik in haar keel dat ze mis zou grijpen, direct  voor het moment dat haar
vingers om het touw sloten, dat met nuts en pennen aan het dak van de gang was vastgezet. Met een zucht van opluchting voelde ze de ruk aan haar armen en voelde ze haar voeten naar voren schieten. Vingers van de
Man schraapten langs de stof van de overall op haar rug.
O God, laat het niet waar zijn alsjeblieft, wanhoopte ze, niet nu ik bijna veilig ben.
Terwijl haar armen krampachtig het touw vasthielden schoten haar voeten door de vaart naar voren en landden precies op de rand van de put. Zelf hing ze aan het touw achterover terwijl  ze  haar voeten voelde
wegschuiven de put in, op het moment dat Bernard haar greep. Zijn arm om haar middel trok haar de veilige kant op.

De Man juichte inwendig. Nog enkele passen en hij zou dat kreng hebben. Ze was geen schatje meer, dat teringwijf. En als hij haar had zou hij haar pijnigen zoals hij nog nooit bij iemand gedaan had. Het kreng! Een
gekmakende woede vertroebelde zijn simpele geest. Urenlang zou hij haar martelen en naaien en haar lijf uiteenscheuren tot ze uiteindelijk stierf. Een langzame en zeer pijnlijke dood, nadat hij haar beurs geneukt had.
Blind van woede blokkeerde zijn geest, zodat geen waarschuwing tot zijn hersens door kon dringen en in die staat schoot zijn arm naar voren om haar te grijpen. Het enige dat door zijn hoofd spookte was dat hij haar
hebben wilde, koste wat kost.
Zijn vingertoppen toucheerden de gladde stof op haar rug en gedurende een kort moment wist hij zeker dat hij haar had. Een brede grijns kwam om zijn mond en met die grijns zonk op zijn gezicht zonk de grond onder
zijn voeten weg en viel hij ten prooi aan de zwaartekracht.

Het zeil dat Cathy en Bernard met klimpennen over de put gespannen hadden en met fijn stof bestrooid, bezweek onder het immense gewicht van de Man en hij stortte naar beneden. In een reflex graaiden zijn handen
vooruit en grepen zich vast aan de rand van de put, daar waar Cathy en Bernard stonden. Zijn zware lijf smakte tegen de wand en alleen zijn bovenmenselijke kracht voorkwam dat hij afgleed.
Boven de rand zag hij het gezicht van het kreng dat hem grijnzend aanstaarde. Hij zag iets glimmen in het schemerige licht van de lamp toen plots een felle pijnscheut door zijn handen schoot.

Cathy zag de dikke vingers van de Man om de rand van de put grijpen en daar blijven hangen. Ze aarzelde geen moment en greep de geologenhamer. Die lag vlakbij, waar ze de pennen voor het zeil de grond in
hadden geslagen, en voor ze besefte wat ze deed, hakte ze als een bezetene op de vingers in. De scherpe punt waarmee ze normaal mineralen uithakte boorde zich keer op keer in het vlees en ze voelde de botjes
onder haar slagen versplinteren. Bloed spoot in de rondte, witte pezen kwamen bloot te liggen en dikke vingerkootjes braken af. De Man gaf geen kik, maar tergend langzaam gleden de restanten van zijn handen van de
putrand af tot er geen houvast meer was en hij omlaag stortte. De doffe dreun van zijn val weerkaatste langs de wanden naar boven.

Bij het neerkomen kwam de Man met een voet op een flinke kiezel en scheurde een enkelband. Dankzij zijn grote gewicht zwikte ook zijn knie opzij en brak zijn knieschijf. Het gevolg was een grote open wond, waar het
wit van het bot uitstak.
Cathy richtte de Maglite naar beneden en scheen de Man recht in het gezicht. Ze wist wat ze ging doen.
IJzig kalm dreunde ze haar grafrede voor de Man op.

“Weet je, in de Middeleeuwen hadden veel burchten een vergeetput, dat noemden ze in die dagen
een oubliëtte. Daar gooiden ze hun vijanden in, ze sloten die put af en lieten die vijand daar wegrotten.
Deze berg is onze burcht geworden en deze put jouw oubliëtte.
Je hebt zoveel kwaad aangericht. Je was mijn vijand en je wilde me verkrachten en martelen en me laten sterven en wegrotten als een stuk vuil. In deze put mag jij op jouw beurt  wegrotten. Hier kom je niet uit en je gaat
hier sterven. Voor Lieve en Isaac en Jasper en voor God weet voor wie nog meer. Hier zal je achterblijven, vergeten door iedereen, tot alleen je botten resten. Voor jou gaat hier het licht uit.”

Demonstratief knipte Cathy het licht van de Maglite uit als om haar woorden kracht bij te zetten en bleef doof voor het gebrul diep onderin de put.
“Ga je mee Bernard,” zei ze kalm, “de weg naar buiten ligt voor ons open.”

20

De terugkeer naar de grot was de zwaarste weg om af te leggen.
Samen met de politie vonden ze in het basiskamp het zwaar toegetakelde lichaam van Lieve en in de Aardmuil zelf, Isaac. Op hun aanwijzingen vond de politie ook Jasper, afzichtelijk verminkt en afgemaakt als een
beest. Zijn getormenteerde lichaam lag nog immer in de hoek van de gang waar ze de Man in de grot tegen het lijf liepen.  
Natuurlijk vroeg de politie of ze wisten waar de Man was en ze vertelden beiden slechts een stukje van de waarheid.

“Die is in de grot achtergebleven, begraven onder de instorting toen hij achter ons aankwam.”
Cathy keek Bernard veelbetekenend recht in de ogen terwijl ze dit vertelde.
“We zagen het gebeuren, toen de aarde rommelde en het plafond van de gang instortte. En wat mij betreft heeft hij dat verdiend.”
“Wat mij betreft ook,” viel Bernard haar bij, die haar bedoeling raadde.
Het was een gerechtvaardigd leugentje, vonden beiden. Ze gunden dat beest niet dat hij opgehaald werd en opnieuw berecht. De grot moest zijn graf zijn, daar verdiende hij weg te kwijnen, niet in een of andere
gevangenis. Bernard en Cathy vonden beiden dat de Man zijn straf in de vergeetput niet mocht ontlopen.
“Ga maar graven als je zijn lichaam wilt vinden.”
Vanwege de omvang van de instorting en het risico waarmee dat gepaard zou gaan, deed de politie dat uiteindelijk niet.

21

Drie weken na die traumatische terugtocht naar de grot waren er drie begrafenissen. Vanwege  het forensisch onderzoek werden de lichamen van hun vrienden langer vastgehouden dan normaal en op hun
begrafenissen sprak Cathy woorden van vriendschap en trouw.

In elk van de graven wierp ze twee schatten van moeder Aarde; stenen vol symboliek. Oeroude stenen, als een teken van eeuwig durende vriendschap.
De eerste steen was een lapis lazuli, met zijn azuurblauwe kleur een symbool voor de hemel, waar zij nu verbleven, en de kleur van hoop en rust.
De tweede een schorl, ravenzwart, als weergave van haar rouw, maar tevens een steen van eeuwigheid en onvergankelijkheid. Nooit, nee nooit, zou ze de namen van haar drie vrienden vergeten: Lieve  -  Isaac   -   
Jasper.
Het werd een droef afscheid die dag op de begraafplaats, voor altijd in haar geheugen geëtst.

22

De wonden aan zijn handen en been bezorgden hem ondraaglijke pijn en 24 uur per dag leed hij er onder. Zijn sterke gestel werd nu zijn straf. Het hield hem in leven, dagenlang. Wondkoorts vrat aan zijn kapotgeslagen
handen, die nog slechts stompjes waren, geen schim meer van de eens zo machtige vingers. Het dode weefsel langs de open wonden aan zijn vingers en zijn knie verspreidden de walgelijke stank van een open graf.
Pus vloeide uit de geïnfecteerde wonde  aan zijn knie.
Het gif van de wond verziekte zijn bloed en de eens zo geduchte reus teerde weg van binnenuit, tot hij geen schim meer was van zijn vroegere zelf. Tergend langzaam ontvlood hem het leven, 20 dagen lang. Geen eten,
bijna geen water, alleen de druppels vocht die neersloegen als rijp op de wand van zijn put. Het aflikken verlengde alleen zijn worsteling met de dood.
Op de 21e inktzwarte dag, klopte zijn hart de allerlaatste slag, juist op het moment dat het laatste graf sloot.

Zijn laatste levensdagen waren door zijn verwondingen en de volslagen duisternis een voorproefje op de verdoemenis en toch, het kwam nog niet eens in de buurt van zijn onbeschrijflijke lijden in de erop volgende,
tijdloze hel.
Wat er van zijn vlees nog restte, werd weggevreten door insecten en wormen tot louter de botten overbleven, ontdaan van de eens zo krachtige spieren.
Niet langer heerste zijn recht van de sterkste.

23

Diezelfde avond keek Cathy neer op de slapende Bernard. Hij lag in het twijfelaartje in  haar studentenflat, het dekbed half over hem heen.
Ze was verbaasd over de emoties die hij die dag getoond had. Verbaasd, maar tegelijk aangenaam verrast. Hij was een gevoelsmens, dat had zijn getoonde verdriet haar verteld, iets wat ze eigenlijk al eerder had
gemerkt, elke keer weer als ze met hem vree.
Zijn lichaam was niet langer ‘nieuw’ voor haar. Het hare niet voor hem. Niet langer waren ze ’slechts’ vrienden.
Voorzichtig tilde ze het dekbed op en legde het naar beneden.

In de driehoek tussen zijn dijen lag zijn penis, zacht en klein, gebogen op zijn zak. Samen hadden ze geleerd hoe dat ding te gebruiken, voor zijn plezier en dat van haar. Voor het eerst ervoer ze met een man orgasmen
die meer betekenden dan die welke ze zichzelf kon geven. Sinds die grot vervlochten hun levens meer en meer en was er iets ondefinieerbaars in hun vrijen dat uitsteeg boven louter seks. Het was alsof ze met z’n
tweeën een waren, onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Dat gaf een extra dimensie aan het genieten.

Ze stak een hand uit naar zijn kleine jongen, trok de voorhuid over de eikel en drukte een kusje op de roze knop. Kort keek ze naar het bijzondere kopje en sloot haar lippen eromheen, zoog het slappe ding in zijn geheel
naar binnen. In haar speeksel rolde ze zijn lid waarderend door haar mond, haar lippen tegen zijn zak. Lang zou dit niet kunnen, maar lang genoeg om er volop van te genieten. Daarna mocht hij hard worden, dan mocht
hij wakker zijn en mocht hij groeien.
Ze wilde vrijen!