De Grot, vervolg
11

Voor hen verbreedde de gang waarin ze liepen en maakte een scherpe bocht naar links. Aan de binnenzijde van de bocht versperde een groot rotsblok gedeeltelijk de doorgang. Jasper liep voorop. Een tiental meters
voor ze het rotsblok bereikten gebaarde hij Bernard en Cathy stil te zijn en hun hoofdlamp uit te doen. Ze ontkwamen er niet aan af en toe in het aardedonker van de gangen de lampen aan te knippen om zich te
oriënteren, maar met die bocht wilde hij alle gevaar van een ontdekking voorkomen. Bang ontdekt te worden was ook de reden waarom ze de lampen deels hadden afgeschermd en zo afgesteld dat deze alleen de
grond vlak voor hun voeten bescheen.

In de inktzwarte duisternis na het licht spitsten ze alledrie hun oren om elk geluid op te vangen dat er op kon duiden dat de Man er aan kwam. Ze wisten niet of die erin geslaagd was in de diepere grot af te dalen, maar
ze konden er niet op gokken dat het hem niet gelukt was.
Minuten bleven ze zo staan, voor Jasper fluisterde dat hij het veilig achtte om verder te gaan. Hij knipte zijn hoofdlamp aan en liep behoedzaam rond het rotsblok.
Nauwelijks stond hij er naast, of met een grijns op zijn gezicht sprong de Man tevoorschijn.

“Hé, hallo. Twee mannen maar liefst, met mijn schatje! Dat is nog eens een verrassing. Jullie dachten toch niet dat je aan mij kon ontkomen hè?”
“Vlucht,” riep Jasper die het dichtst bij de Man stond. Ik zal proberen hem tegen te houden, ren zo snel als je kunt. Ik vind jullie later wel.”
Bernard en Cathy hadden die aanmoediging niet nodig.
Jasper had ze nog niet uitgesproken of ze keerden om en renden hand in hand voor hun leven, terug naar het kruispunt van gangen dat ze even tevoren gepasseerd waren.
Jasper nam een gevechtshouding aan, alert en met zijn eeltige handen klaar om aan te vallen of zich te verdedigen.
“Je komt er niets langs. Ga terug naar waar je vandaan komt en laat ons met rust.”
De Man lachte.

“Ga jij me tegenhouden, kleintje? Geef me mijn schatje en ik zal jullie laten leven. Ik wil alleen haar.”
“Je krijgt haar niet, nooit. Ze hoort bij ons en ga nu weg. Ik heb de eerste dan in karate. Je kunt nu nog weggaan.” Jasper probeerde zijn stem vastberaden te laten klinken, al was hij bang voor de bonk spieren die zich
voor hem bevond en een afschrikwekkende agressiviteit uitstraalde. Als hij verwacht had dat de Man van zijn mededeling zou schrikken, kwam hij bedrogen uit.

Een enorme arm zwaaide onverwachts naar voren, maar raakte slechts lucht waar even tevoren het hoofd van Jasper was geweest. Jaspers reflexen waren snel en hij dook onder de arm door en met een stap naar
voren, perfect in balans, trapte hij de Man met uiterste precisie op de onderste rib. De in een klein punt gecentreerde kracht brak de rib en de Man brulde het uit van de pijn. Hij greep naar beneden, maar Jasper was
alweer weggedoken.
“Ga terug, man, ik heb toch gezegd dat je er niet langs komt.”

De Man deed een tweede uitval, lager dit keer om Jasper niet te missen. Die zag de aanval aankomen, sprong opzij en raakte met de harde knokkels van de linkerhand de man precies midden op de zonnevlecht, een
knooppunt van zenuwen op de buik, een handbreedte boven de navel. Zijn rechterhand volgde razendsnel de actie van de linker. Terwijl de Man door de slag in zijn maag dubbel klapte, trof de half geopende rechterhand
met de harde zijkant de neusbrug. Een droge knak verried Jasper dat zijn slag het neusbot gebroken had.
De gecombineerde pijn van de drie mokerslagen dreven de Man tot waanzin en zonder acht te slaan op de regen van slagen en trappen die Jasper plaatste, stormde hij naar voren. Adrenaline in zijn bloed verdoofde
zijn pijn en in blinde woede vloog hij op Jasper af.
De gang was te smal  voor Jasper om te kunnen blijven ontwijken en als een bulldozer sloot de Man Jasper in. De ruimte tussen Jasper en de Man werd te krap voor Jasper om zijn karatetechnieken uit te kunnen voeren
en hij werd volkomen overrompeld door het gigantische lichaam van de Man.

Hij voelde hoe die een arm greep en achter zijn rug om naar achter boog. Zijn spierkracht was ontoereikend om die van de Man te weerstaan en met angstzweet op zijn voorhoofd voelde hij hoe de gewrichten in
elleboog en schouder in de uiterste stand gedrongen werden en er voorbij. Een scherpe pijn trok door zijn arm en schouder, toen zenuwen knapten en botten braken.
Zijn arm brak op twee plaatsen. In de elleboog knapte de kom af en bij de schouder de hals van de bovenarm. Een verlammende pijn ontlokte een ijzingwekkende kreet aan Jaspers lippen, terwijl de man doordrukte tot
de arm hulpeloos achter de schouderbladen omhoog wees.
De Man vouwde Jasper over de heuphoge rots heen en stampte van achter zo hard tegen de achillespees van het rechterbeen, dat die afscheurde en het scheenbeen vlak boven de enkelzadel afbrak.

Geknakt en half bewusteloos van de pijn hing Jasper op zijn buik over de grote steen.
Een van de grote handen van de Man drukte hem in de holte van zijn rug, anders zou hij beslist van de rots zijn afgegleden.
“Karate, hè? Mietje! Je hebt me mijn schatje ontnomen en nu kan ik me niet met haar amuseren. Jammer voor je, dat zal ik dan met jou moeten doen,” en tegelijk met dat hij dit zei rukte hij de overall op Jaspers
achterwerk open.

“Heb je weleens een lekkere stevige vent in je kont gehad, Mietje? Ik denk het niet, je hebt waarschijnlijk nooit in een gevangenis gezeten, maar dan ga je nu die schade inhalen.”
Hoewel Jasper vooral de afschuwelijke pijn voelde van zijn gebroken arm en been, merkte hij hoe zijn onderbroek naar beneden getrokken werd en er iets diks en stomps tussen zijn billen duwde. Een onheilspellend
brute kracht duwde meedogenloos tegen zijn anus. Zijn gat was veel te klein voor de reusachtige lul van de Man en hij voelde hoe zijn bilnaad openscheurde toen de enorme eikel van de Man met grof geweld bij hem
binnendrong.
“Nee, niet doen. Neeeeeeeeeeeeeeeeeee!!” gilde hij, maar er was niets dat de Man kon stoppen. Die propte zijn volledige wapen in de warme endeldarm naar binnen en genadeloos stootte hij keer op keer bruut toe.

Bloed gutste uit het uiteengereten gat dat zijn anus vormde, terwijl Jasper gilde en krijste bij elke ruwe stoot in zijn achterste.
De Man voelde dat hij klaar ging komen en rukte zijn bekken naar achter zodat zijn lul uit Jaspers opengereten kont floepte. Hij pakte hem bij zijn haren, draaide hem om en spoot de hele inhoud van zijn zak in het gezicht
van Jasper, terwijl hij hem bij zijn haren overeind hield. Een ontstellende hoeveelheid sperma droop van de ogen, neus en mond van Jasper op de grond. Jasper intussen, was door de pijn en de vernedering die hij
onderging allang versuft geraakt en ervoer niet langer wat hem werd aangedaan.
Na de laatste straal sperma pakte de Man met beide handen het hoofd van Jasper en met een snelle ruk opzij brak hij diens nek, precies zoals bij de politieagent in de cabine van het busje. De ruk verloste Jasper uit
zijn lijden.

“Schatje krijg ik ook nog wel te pakken en dat zal nog veel leuker worden. Die heeft meer gaten dan jij,” gromde de man tegen de dode Jasper. Hij liet het levenloze lichaam los traag van de rots gleed en op de grond
zakte. Hij stapte eroverheen, borg zijn lul in zijn broek en zette de achtervolging in.
Door niets of niemand liet hij zich tegenhouden, hij moest en zou zijn schatje bezitten.

12

Het door merg en been klinkende gekrijs van Jasper weerkaatste tegen de kale, harde wanden van de gangen en bereikte de oren van Cathy en Bernard. Cathy draaide zich om en wilde terug rennen.
“We moeten hem helpen!” riep ze wanhopig naar Bernard, maar die greep haar arm en hield haar tegen.
“We kunnen hem niet helpen. Als Jasper de Man niet aankan, kunnen wij dat zeker niet. Hij is sterker en beter getraind dan wij. En als dat Jasper was die gilde, ben ik bang dat hij toch niets meer aan onze hulp heeft.
We moeten nu zelf aan overleven denken. Wij twee! We moeten onze hersens gebruiken. Brute kracht heeft geen zin tegen die vent. Alleen als we onze hersens gebruiken komen we hier uit.”
De zelfopoffering van Jasper en de tijd die hij hun daardoor schonk, stelde de beide vluchters in staat diverse afslagen te nemen en verscholen te blijven voor de Man.

Op weg naar de plek waar ze de Man tegenkwamen, hadden ze eerder een opening in een plafond ontdekt met een holle ruimte erachter. Bij inspectie bleek het een opstap te zijn naar een paddestoelachtig grotje
waarin net genoeg ruimte was voor twee personen. Voor drie was het te krap geweest, maar voor hen twee betekende het een schuilplaats waar ze even konden uitrusten. Ze hadden deze doorgang alleen gevonden
omdat net toen ze er onderdoor liepen enkele steentjes naar beneden vielen en Jasper als reactie met de zaklantaarn omhoog had geschenen.
Bernard gaf Cathy een zetje en volgde toen zij haar hand uitstak en hem omhoog trok.
Dicht op elkaar gezeten rustten ze uit.

Het was er donker als in een tombe en ze konden letterlijk geen hand voor ogen zien.
Fluisterend bespraken Bernard en Cathy wat ze konden doen om aan de Man en de beklemmende duisternis te ontkomen. Terug naar de Aardmuil was de meest voor de hand liggende oplossing, maar geen van
beiden had ervaring met het beklimmen van steile wanden, zoals die van de Val.
“Voor ik vanochtend terugging naar de Aardmuil,” zo vertelde Bernard, “ liet Jasper me een stuk verderop een tweede grote ruimte zien, net zoiets als de druipsteengrot. Hij vertelde me toen dat daarachter een
ondergronds meer lag. Daar wilde ik naartoe om te kijken wat voor dieren daar leven. Hij was zelf nooit verder gegaan dan dat meer, maar vertelde wel dat er achter dat  meer misschien een uitgang lag. Als hij een
magnesiumfakkel ontstak, trok de rook in de richting van het meer, dus moest daar een opening naar buiten zijn volgens Jasper. Misschien moeten we eerst die kant opgaan en kijken of we er daar uit kunnen.”
“Sstt,” waarschuwde Cathy die het dichtst bij de opening zat en legde een hand over de mond van Bernard, “ik zie licht.”

Een vale lichtvlek bewoog in de richting van hun schuilplaats. Dat kon niemand anders zijn dan de Man en direct keerde bij het vooruitzicht dat hij onder hun schuilplaats door zou lopen bij beiden de angst terug.
Om zich tenminste enigszins te kunnen verdedigen klemde ze haar hand om het heft van haar hamer. Als de Man hen hier zou ontdekken en zich proberen op te trekken, of een van hen beiden zou proberen te grijpen,
zou ze er zonder pardon mee op hem inhakken.
Met het naderen werd het licht feller, tot ze onder het gat het hoofd van de Man zagen. Hij had de hoofdlamp van Jasper op en dat verried haar dat er voor Jasper geen hoop meer was en dat hij dood zou zijn. De Man
zou een vijand nooit levend achter laten, dat wist ze zeker na Isaac en Lieve. Woede maakte zich van haar meester en ze moest zich inhouden om de man niet in zijn nek te springen en met de hamer wild op hem in te
rammen.

Pal onder het gat in het plafond bleef de Man staan en streek met een van zijn gigantische handen door zijn haar. Stilletjes bad ze dat hij niet omhoog zou kijken, maar door zou lopen. Elke seconde dat de Man daar
stond leek eindeloos te duren. Ademhalen deed ze oppervlakkig met wijdopen mond om te voorkomen dat zelfs een ademteug haar schuilplaats zou verraden.
Minutenlang scheen de Man besluiteloos te zijn wat te doen om tenslotte door te lopen, verder de gang in. Het licht stierf langzaam weg en zodra het geheel verdwenen was pakten ze hun rugzakken op en lieten ze zich
geluidloos zakken. In tegengestelde richting spoedden ze zich van de Man weg, terug naar de plek waar ze hem bij de rots ontmoet hadden.

Bernard liep voorop omdat hij al enigszins bekend was met de topografie van de grot en hij leidde haar naar de plek waar Jasper zich voor hen opgeofferd had. Daar vonden ze zijn lijk, zwaar toegetakeld en Cathy
barstte in tranen uit toen ze zag wat de Man hem had aangedaan. Vrees nam bezit van haar toen ze zich realiseerde waar ze boven in de grot aan ontkomen was. Tegelijk met die angst laaide een ongekende woede in
haar op en als ze ooit de kans zou krijgen de Man zijn vreselijke daden betaald te zetten, dan zou ze die kans grijpen, ongeacht de gevolgen.

Als ik hier uitkom, nam ze zich voor, zal ik een mooi graf voor je regelen, Jasper. En als ik kan zet ik het die vent betaalt. Dat beloof ik je en ze wierp een laatste blik op hem. De tranen biggelden nog over haar wangen
terwijl Bernard haar verder trok.
“Kom mee Cathy, we kunnen niets meer voor hem doen en we moeten hier weg voor de Man merkt dat hij de verkeerde kant op gaat en terugkomt.”
Hij nam haar hand in de zijne en sleepte haar weg bij het lichaam tot ze in een volgende grote ruimte kwamen.

13

Het licht van hun hoofdlampen bereikte maar net het plafond, waaraan net als in de druipsteengrot lange stalactieten als dolken van reuzen naar beneden hingen.
Snel loodste Bernard Cathy tussen de even imposante stalagmieten door, verder en verder de ruimte in. Water druppelde van de punten boven hen en viel op de toppen van de kegels eronder. Miljarden druppels van
ontelbare regenbuien bouwden ettelijke eeuwen aan deze bijzondere kunstwerken door het er in opgeloste kalk micrometer voor micrometer af te zetten. Ondanks de benauwende positie waarin ze zich bevonden kon
Cathy niet anders dan bewondering opbrengen voor de architectonische schoonheid van deze unieke wereld, waarin stalactieten en stalagmieten in diverse stadia van ontwikkeling met oogverblindende kleuren
schitterden.
“Opschieten, niet treuzelen, we moeten verder,” drong Bernard aan.
En toen begon het.

Het eerste wat ze ervan merkten was een raadselachtig, onbestemd gevoel. Opeens leek de lucht in de ruimte te bewegen. Het was alsof de berg een serie zuchten slaakte. Eerst ging de lucht de ene kant op en direct
daarna de andere. Het was onheilspellend stil en de lucht leek dikker,  stroperiger te zijn dan tevoren. Ze voelden druk op hun oren.
Cathy stopte en hield haar hoofd schuin omhoog. Ze spande al haar zintuigen in en luisterde met toegeknepen ogen.
“Vlug Bernard, liggen, vlug, en zonder er verder woorden aan te verspillen wierp ze zich op de grond. Bernard volgde haar en vroeg zich af wat er in godsnaam aan de hand was dat ze dit deed.
Een diepe zucht volgde, alsof de berg de laatste adem uitblies.
“Slik om je oren vrij te maken. We krijgen een aardbeving!” riep ze.

Het eerste wat ze daadwerkelijk merkten was een lichte trilling onder hun lichaam en opeens was de ruimte gevuld met een dof gerommel. Lage tonen van verschuivende aarde vulden de grot. Zware trillingen trokken
door hun lijf en in het schokkerige licht van hun hoofdlampen was het onmogelijk scherp te zien. De omtrek van de stalagmieten om hen heen vervaagden tot een wazige lijn door de vibraties die erdoorheen trokken.
Geraas van vallende aarde achter hen trok hun aandacht en tot hun verbijstering zagen ze hoe het dak van de tunnel waar ze zojuist uitkwamen, instortte. Een terugkeer naar de Aardmuil was uitgesloten, nu moesten ze
wel verder trekken en een andere uitgang vinden.
Even plotseling als het gerommel en het schudden van de grond begonnen was stopte het en keerde de rust terug in de grot. Slechts dwarrelende wolken fijn stof verrieden wat er zojuist gebeurd was.

“Misschien was het epicentrum van de beving hier ver vandaan of was het niet zo’n sterke beving, anders waren we nu begraven geweest,” verzuchtte Cathy opgelucht. Ze had eerder een aardbeving meegemaakt en ze
schatte deze op niet meer dan een twee of drie op de schaal van Richter. Ondanks dat, bedacht ze dat ze geluk hadden gehad. Voor hetzelfde geld waren ze nog in de tunnel geweest tijdens de instorting en waren ze
bedolven. Zo diep onder de grond kon zelfs een relatief lichte beving grote schade veroorzaken omdat de druk van de boven de grot liggende aardlagen enorm was.

Een voordeel had de instorting achter hen wel: de Man zat nu ingesloten achter duizenden tonnen ingestorte aarde en zelfs hij, met al zijn oerkracht, zou daar niet doorheen komen. Het betekende dat ze vanaf nu
ongehinderd, zonder angst voor hem verder konden trekken. Bang voor ontdekking hoefden ze niet meer te zijn en dat betekende dat ze vanaf dat moment hun licht permanent aan konden laten. Dat zou de toch al
moeilijke tocht een stuk eenvoudiger maken.
Nu de weg voor de Man was afgesloten, vervolgden Cathy en Bernard relatief gerustgesteld hun weg. Alleen de aarde kon het hen nu nog lastig maken.

14

Aan het eind van de ‘Zaal der Zuchten,’ vonden ze het meer waar Jasper over sprak. De lucht er boven was koud en klam, als in een koelkast. Zelfs in de sterke lichtbundel van de Maglite was de overkant nauwelijks te
zien. Vijftig of meer meter kristalhelder water scheidde hen van de overzijde. Kleine witte vissen zonder ogen leken onder hun voeten gracieus in de lucht te zweven, zo helder was het rimpelloze water waarin die vissen
zwommen. In de absolute duisternis van de grot had kleur geen betekenis en waren ogen zinloos, zo vertelde Bernard haar. De evolutie van het leven had geen reden gezien energie te steken in de ontwikkeling van
kleur en ogen in deze omstandigheden en dus waren de vissen blind. Andere zintuigen ontwikkelden in plaats daarvan sterker.

In het felle licht van de lamp zagen ze een eveneens wit spinnetje op het water vallen. Een vis reageerde direct, zwom er feilloos op af en zoog het spinnetje van de oppervlakte, zonder zich ook maar enigszins in de
plaats te vergissen.
“Deze vissen lokaliseren hun prooi door drukgolven die ze waarnemen met hun zijdestreep. Dat is een zintuig dat over de gehele lengte van hun lichaam loopt en waarmee ze precies kunnen bepalen waar die prooi zich
bevindt.”
Bernard stak een hand in het water. “IJskoud en zo te zien behoorlijk diep en toch zullen we hier doorheen moeten. We moeten er snel doorheen gaan, want als we te lang in dit water blijven raken we  bevangen van de
kou.”

Cathy hoefde niet te raden wat hypothermie met een mensenlichaam doet. Ze herinnerde zich maar al te goed de scène uit Titanic waarin Leonardo DiCaprio verkleumd wegzonk van het vlot waarop zijn liefje zat, de
donkere diepte van de oceaan in.
“Het best kunnen we proberen onze rugzakken en kleding droog te houden. Dan kunnen we ons aan de overkant afdrogen en droge kleren aantrekken. Er zit niks anders op dan dat we ons uitkleden en onze kleren in de
rugzakken doen. Dan kunnen we op onze rug zwemmend oversteken, met de rugzak boven ons hoofd. Als het niet te diep is kunnen we misschien waden met onze armen omhoog. Denk je dat je dat kan?” vroeg hij aan
Cathy, “dan remmen onze kleren ons ook niet af.”

Cathy wist geen beter plan te bedenken en dus ritsten ze beiden hun overalls los en stapten er uit.
Voor de tweede keer zag Bernard het naakte lichaam van Cathy en zij zijn lijf voor het eerst.
Hij was lang en mager en er was nauwelijks onderhuids vet dat hem enige bescherming kon bieden tegen de kou. Hij had nog minder vet dan zij. Water is een buitengewoon goede geleider en meer dan zij liep hij
daardoor het risico door de kou bevangen te raken.
“Laat mij maar eerst gaan,” stelde ze daarom voor, “en kom direct achter me aan. Aan de overkant kunnen we ons opwarmen voor we verder gaan. Als het niet meer gaat, geef dan een gil. Jij kunt mij zien, maar ik jou
niet.”
Cathy tilde haar rugzak boven het hoofd en stapte het water in, voorzichtig met haar voeten tastend naar de bodem.

De schok van de kou trof haar als een moker, terwijl ze eerst tot haar dijen en daarna tot  over haar onderbuik het ijskoude meer in stapte. Ze merkte meteen het verdovende effect van de kou en voelde dat ze binnen de
kortste keren dode tenen zou krijgen. De aandrang terug de kant op te gaan was groot, maar ze wist dat ze verder moesten.
Het water reikte tot aan haar oksels voor ze vlakke bodem onder haar voeten voelde.
Achter haar stapte Bernard het water in en net als bij haar zorgde de schok van de kou ervoor dat zijn adem stokte.

Door de weerstand van het diepe water kwamen ze maar langzaam vooruit, de rugzakken boven hun hoofd. Het was een kwestie van minuten voor de kou onverbiddelijk zijn tol eiste en daarom leek het Cathy vreemd
dat ze het gevoel kreeg dat de kou minder intens werd. Dat gevoel was bedrieglijk, want wat er gebeurde was dat haar lichaam razendsnel afkoelde waardoor het contrast met het omringende water minder groot werd.
Een verraderlijk gevoel van kalmte kwam over haar.
Het laatste stuk kon ze nog slechts schuifelend verder. Ze had geen gevoel meer in haar benen en liep werktuigelijk door. Bang keek ze achterom naar Bernard, die gelukkig nog vlak achter haar liep. Zijn gezicht was
lijkbleek.
Het was de gedachte aan de warmte die haar wachtte die haar motiveerde door te gaan, tot ze verkleumd tegen de oever opkroop, haar rugzak neergooide en achterom keek.

Vijf meter uit de oever zag ze Bernard stilstaan en wankelen op zijn benen.
“Bernard, kom, nog maar een paar meter, een paar passen. Kom nou, nog een klein stukje.”
Verdwaasde, glazige ogen staarden haar aan. Er kwam geen reactie en ze wist dat ze hem moest  helpen. Zonder aan haar eigen verstijfde lichaam te denken stapte ze terug het meer in en loodste hem naar de oever.
Ze moest hem tegen de kant op duwen en neervlijen op de grond, krachteloos als hij was.
Snel pakte ze een handdoek uit een rugzak en droogde hem en zichzelf af. Ze begon zijn lichaam als een bezetene te wrijven om de bloeddoorstroming op gang te krijgen en hem weer een beetje warmte te geven.
Hij moest door en door koud zijn. Zijn huid was lijkwit, net als zijn vingers en de tenen. Zijn scrotum voelde hard aan, was tot een klein zakje geslonken en het leek of zijn testikels naar binnen in het lichaam
teruggetrokken waren. Zijn penis was wit en koud en minuscuul, niet veel langer meer dan een centimeter of vier.

Nadat ze zijn lichaam zo goed mogelijk warm had gewreven, legde ze hem op zijn overall met het zeil over hem heen.
Door al dat wrijven was ze zelf al wat warmer geworden en ze deed wat in zo’n situatie het best is: naakt op hem gaan liggen om zo de lichaamstemperatuur van hun beider lichamen te delen.
Haar tepels, die door het avontuur in het koude water hard als kiezeltjes waren geworden drukten tegen zijn borst en zij voelde de zijne, even hard, in haar borstjes drukken.
Langzamerhand kwam de warmte in hun lichamen terug en ontwaakte Bernard uit zijn apathie. Regelmatig schokten hun lijven na van de kou die uit hun botten trok, voor ze zich weer enigermate behaaglijk voelden.

“Dank je Cathy. Ik dacht dat ik stierf in dat water Ik heb het nog nooit zo koud gehad. Vreselijk. En wat is het dan heerlijk om zo weer warm gemaakt te worden.”
Hij sloeg zijn armen om haar heen en in het licht van de gasdruklamp keek hij recht in haar  ogen.
“Als we hier uitkomen, wil je dan een keer met me uitgaan? Ik heb nog nooit een vrouw zoals jij ontmoet.”
Cathy zette haar nog koude lippen op de zijne, vond zijn tong en tanden, en pas na een heftige en lange zoen antwoordde ze.
“Je zegt het verkeerd. Het is niet ‘als’ we hier uitkomen, maar ‘wanneer’ we hier uitkomen. En ja, dan ga ik met je mee.”

Opnieuw vonden hun lippen elkaar en van het een kwam het ander. Of het de ontlading was van alle doorstane ellende, of simpelweg een gevolg van hun naakte lijven tegen elkaar, de zoen ontpopte zich tot een vrijpartij
waarin ze de hachelijke situatie waarin ze zich bevonden vergaten, al was het maar voor even.
Met de palm van haar hand streek ze langs zijn wang, waar kleine stoppeltjes van een beginnend baardje groeiden. Ze voelde de haartjes tegen haar gezicht toen ze hem opnieuw kuste en het voelde goed, het vrijen
met een man in deze hachelijke omstandigheden.
Ze stak een hand tussen hun lichamen en greep naar zijn penis. Die was koud, maar de warmte van haar hand en de opwinding die ze bij hem veroorzaakte, verdreef die kou. Wat klein was, bloeide op en toen ze
zichzelf glad maakte, met speeksel uit haar mond, gleed hij soepeltjes bij haar naar binnen. Hij voelde koud aan, diep in haar lichaam.
Het werd een tedere vrijage, van twee mensen die elkaar voor het eerst intiem ontmoetten.

15

Na een uur maakten Cathy en Bernard zich van elkaar los en kleedden zich aan, hun lichamen in hun liefdesspel aan elkaar gewarmd. Hij verkende de ruimte verderop, zij pakte de rugzakken in.
“We moeten hier omhoog,” zei Bernard.
Hij wees omhoog een soort tunnel in die boven hun hoofd begon. In het licht van de lantaarn was geen einde aan de tunnel te zien.
“Het is de enige doorgang hier, dus we moeten wel.”

In de vrij brede opening van de schuin naar boven lopende tunnel ontdekten ze een soort natuurlijke trap, alsof een cascade van water lang geleden de zachte grond had weggespoeld en de hardere mineralen had
blootgelegd. Met hun geringe klimvaardigheid zou het geen eenvoudige klim worden, want de ‘treden’ waren smal en onregelmatig.
“We moeten ons goed zekeren met de klimtouwen, anders redden we het niet. Ik heb geen idee hoe lang die klim is, maar hij is in ieder geval behoorlijk steil. Laat mij maar voorop gaan, dan bevestig ik de nuts en de
pennen in de wand en bevestig de touwen en dan kun jij me volgen. Geef me maar een kontje, zodat ik die tunnel in kan komen.”

Cathy stapte op de in elkaar gevouwen handen van Bernard en via zijn schouder de ‘trap’ op en plaatste de eerste nut. Een duw met zijn handen bracht haar hoog genoeg om ook een tweede en een derde aan te
brengen en pas toen ze honderd procent zeker was dat deze drie haar gewicht hielden en ook het gewicht van Bernard konden dragen, zekerde zichzelf en hielp hem omhoog.
Het was de taak van Bernard om de lagere pennen en nuts te verwijderen en aan haar door te geven om langzaam en gestaag de steilte te beklimmen.
Na ongeveer 60 meter klimmen maakte de gang een boog en splitste zich. De smalste gang kronkelde schuin naar boven, niet veel meer dan een scheur in het gesteente. Frisse lucht stroomde erdoor naar binnen.
“Daar is een uitgang,” riep Cathy enigszins teleurgesteld, “maar daar kunnen we niet doorheen. Veel te smal en te kronkelig. We moeten die zijgang nemen.”
De zijgang die ze aanwees liep naar beneden en was veel nauwer dan die waarin ze zich bevonden.

Het licht van haar hoofdlamp bescheen de weinig uitnodigende doorgang rechts van waar ze gezekerd zaten. De zijgang was nauw en ongewoon laag. Bij een eerste inspectie bleek de vloer onder een flauwe hoek
geleidelijk omlaag te lopen. De bodem bestond uit los gruis en ze zouden plat op hun buik moeten gaan en de rugzakken achter zich aanslepen om er door te komen en dan nog zouden ze hoegenaamd geen ruimte
hebben zich te bewegen.
“Daar durf ik niet in hoor,” piepte Cathy benauwd, “veel te klein!”
In het licht van zijn hoofdlamp keek Bernard Cathy recht in het gezicht.
“We moeten wel. Terug kunnen we niet, die weg is afgesloten door die verzakking en in die spleet naar boven gaat helemaal niet. We hebben geen keus. De lucht stroomt ook die kant uit, dus daar moet een andere
uitgang zijn.”

Bernard bekeek de spleet nauwkeurig voor een tweede keer, scheen er in met de Maglite en meende verderop iets te zien glinsteren.
“Ik geloof dat dit stuk niet zo lang is. Volgens mij zag ik verderop een glinstering en het eind van de gang.”
Helemaal zeker was hij er niet van, maar hij dacht dat het belangrijk was voor Cathy een eindpunt te hebben waar ze naar uit kon kijken. Als ze zich opgesloten zou voelen, zou het kunnen helpen als ze wist dat er op niet
te grote afstand een eind aan deze engte zou komen.

Hij sloot zijn handen om het gezicht van Cathy.
“Als ik voorop ga, volg je me dan?”
Hij zoende haar lichtjes op haar lippen.
Bedremmeld keek ze terug.
“Hé, Cathy, zeg het me dan. Ik ga niet alleen, ik wil dat je me volgt.”
Terwijl hij dit zei, schudde hij haar zachtjes bij de schouders heen en weer. Het vooruitzicht klem te komen zitten leek haar te verlammen. Met een hand om haar kaak kneep hij hard in haar wangen om haar uit die
lethargie te halen.
“Kom je achter me aan?  Het is maar een klein stukje.”
Een nauwelijks merkbaar knikje volgde.
“Goed, dan ga ik.”

Hij bond zijn rugzak aan een klimtouw om zijn middel en schoof met zijn hoofd en armen vooruit op zijn buik de nauwe doorgang in. Veel meer dan een brede spleet was het niet en het kostte hem moeite vooruit te
komen.
De lamp op zijn voorhoofd lichtte niet erg goed bij. Omdat hij zijn hoofd niet omhoog kon doen scheen de lamp maar een klein eindje vooruit.
Het enige wat hij kon, was zich met zijn vooruit gestoken armen korte rukjes vooruittrekken en zich afduwen met zijn voeten. Ruimte om zijn knieën te buigen was er nauwelijks en dus bleef alleen de flexie in zijn
enkelgewricht over. Op deze zeer vermoeiende manier schoof hij centimeter voor centimeter de engte door. Hij kon onmogelijk zeggen of Cathy hem volgde, daar moest hij maar op vertrouwen. Nu hij eenmaal in de
spleet zat, was terugkeren geen optie meer.

Na wat een eeuwigheid leek te hebben geduurd, maar in werkelijkheid niet meer dan anderhalf  uur was, bereikte hij het eind van de spleet. Zijn handen kwamen als eerste naar buiten, gevolgd door zijn hoofd en
schouders. Ongeveer een meter onder hem zag hij de vloer van wat een vrij grote ruimte leek. Hij liet zich op de vrijwel vlakke bodem zakken en stond op. Om hem heen zag hij dat de ruimte groot genoeg was voor
meerdere personen en het was er warm. Heel anders dan de kou bij het meertje.
Hij draaide zich om naar de spleet waar hij zojuist uitgekropen was en met de Maglite uit de rugzak scheen hij er in. Tot zijn opluchting zag hij ongeveer halverwege de armen en het gezicht van Cathy. Haar gezicht was
asgrauw en de ogen stonden wijd opengesperd van ontzetting.

Cathy zette zich over de allesoverheersende angst voor de kleine ruimte heen en wurmde zich met het hoofd vooruit de nauwe spleet in. Ze was er amper in of ze ervoer het beknellende gevoel van de wanden rondom
haar lijf. Het was alsof een band om haar borst sloot die haar het ademen onmogelijk maakte. Ze wist dat ze door moest zetten en herhaalde fluisterend steeds zijn woorden: ik ga niet alleen, ik wil dat je me volgt.  
Centimeters tegelijk krabbelde ze vooruit. Wanneer haar hoofd de wand boven haar raakte, voelde ze losse stukjes aarde in haar nek vallen, de nekhaartjes raken en doorrollen onder de kraag van de overall. Elke
kruimel aarde die in haar nek terecht kwam voedde de groeiende paniek en wilder en wilder begon ze zich vooruit te werken. Ze moest snel uit deze omknelling geraken!

Door de schokkerige bewegingen waarmee ze zich vooruit probeerde te worstelen raakte ze steeds vaker de wanden om haar heen en brokkelden meer en meer stukjes van het gesteente af. Een regen van kleine
gruisdeeltjes daalde op haar hoofd neer en kwam bij het inademen in haar neus en mond terecht. Tevergeefs probeerde ze het uit te spuwen, maar in plaats daarvan inhaleerde ze zo diep, dat ze het alleen maar verder
naar binnen zoog. Het verstoppen van haar neus en keel verhoogde de paniek tot ze het niet meer baas kon en wild om zich heen probeerde te slaan om de aarde van zich af te vegen. De zeer krappe ruimte bood
echter geen enkele gelegenheid daartoe en ze voelde bijna hoe ze gevangen zat in een dodelijke omhelzing, waar  zandkorrels haar lichaam binnendrongen en haar adem smoorden.

De miljoenen tonnen gesteenten boven haar drukten pijnlijk bewust op haar gemoed en verpletterden haar laatste restje rationaliteit. Ze werd hysterisch en blokkeerde volkomen. Ze  probeerde zich groot te maken als
reactie op de druk die ze voelde en in plaats van zich te bevrijden kwam ze hopeloos klem te zitten.
Tranen van angst en onmacht biggelden over haar door het gruis grauwe gezicht en hulpeloos keek ze vooruit, zonder te zien. Het uitzichtloze van haar positie ontnam haar alle moed en ze viel bijna flauw. Die flauwte
ontspande haar spieren en dat was haar geluk.

Doorheen de sluiers van angst die haar ratio verduisterden, hoorde ze vaag en ver weg iemand haar naam roepen. Het was een geluid waaraan haar getroebleerde geest zich vastklampte, waardoor besef langzaam
terrein begon te herwinnen. Met grote ogen keek ze op en zag een straal wit licht de spleet verlichten. Heel even maar, voor ze het gezicht van Bernard zag. Ze zag zijn lippen bewegen, maar haar oren weigerden dienst.
Schuddend met haar hoofd klaarde ze de prop en hoorde haar naam.

“Cathy, hoor je me? Luister naar me. Cathy, hoor je me?” Onafgebroken riep Bernard al tien minuten haar naam en nu voor het eerst zag hij haar reageren.
“Cathy, luister naar me. Doe je ogen open. Hoor je me?”
“Ja,” klonk haar door het stof gesmoorde stem, “ik hoor je.”
“Oké, luister goed. Je moet me helpen. Waar ik sta is veel ruimte, maar zonder jou kan ik niet verder. Ik hou van je. Weet je nog dat je me uit het water gered hebt? Je redde mijn leven en je hebt met me gevrijd. Dat was
het mooiste dat ik ooit in mijn leven kreeg. Zonder jou kan ik niet verder en je moet me helpen. Kan je dat? Me helpen?”
Een klein knikje volgde.
“Maak je klein en kom dan voorzichtig naar me toe. Goed, rustig aan maar. Je bent er bijna. Zie je dat het gaat? Kom me helpen alsjeblieft.”

Door haar een doel te geven, hoopte Bernard dat Cathy gemotiveerd zou raken de angst te vergeten en in staat zou zijn verder af te dalen door de schacht. Hij hoopte haar negatieve gedachten op die manier om te
zetten in een positief werkende kracht en het scheen te lukken.
Geleid door zijn stem schoof Cathy dichter en dichter naar de uitgang en toen ze er was pakte Bernard haar handen en hielp haar uit de nauwe spleet. Hij kuste haar grauwe lippen en hielp haar de voeten op de grond te
zetten. Staan blijven kon ze niet en ze zakte door haar knieën. Ongecontroleerde rillingen liepen als een ontlading van spanning door haar lichaam. Haar benen begaven het en ze slipte ze weg in een emotionele shock.

Bernard kroop achter haar en hield haar tegen zich aan, streelde de donkere haren, totdat tientallen minuten later het trillen allengs minder werd en tenslotte ophield. Het trauma dat Cathy had doorgemaakt was echter
nog geenszins uitgewerkt en in zijn armen viel ze in een onrustig soort slaap. Alle energie van haar tengere lichaam had ze in het bevechten van de angst en het doorzetten naar het einde gestoken en nu was ze uitgeput.
Van tijd tot tijd trok een heftige schok door haar lijf en Bernard vermoedde dat ze haar ervaring verwerkte in iets wat op een droom leek. Uiteindelijk raakte ook hij vermoeid en met Cathy tegen zich aangeleund dutte hij
in.

Twee uur later werd Cathy stijf en verkrampt wakker en door haar bewegingen, Bernard. Zijn rechterarm lag op haar buik onder haar borsten en hield haar tegen zich aangedrukt. Zelf zat zij op de grond, tussen zijn
gestrekte benen.
“Bernard, meende je wat je zei daarstraks? Dat je van me houdt?”
“Elk woord. Ik hou van je en ik ga niet zonder je verder. Nog geen enkele vrouw heeft zoveel voor me betekent als jij doet. Ja, ik meende alles.”
Hij drukte een kusje achter op haar hoofd.
Cathy ritste haar overall open, nam de arm van haar buik en legde die tegen haar linkerborst. Haar hand stuurde zijn hand over haar lichaam. Ze draaide haar hoofd naar achter en opende haar mond voor een kus.

Hun tongen cirkelden om elkaar, maar Bernard was zich meer bewust van de welving van haar borst tegen zijn handpalm dan van haar tong. Onder de warme huid voelde hij het kloppen van het hart voor ze zijn hand
verschoof, naar boven, tot over de tepel. Het speentje op de top van de boezem bood vrijmoedig weerstand aan zijn hand en hij voelde het verstijven onder de aanraking.
Met kleine cirkeltjes wreef Cathy zijn handpalm over de bolling en over de keiharde tepel. Zijn vingertoppen werden er tegen gelegd en samen met zijn vingers speelde ze er mee. Het was een ongelooflijk intens gevoel.

Met haar hand nog steeds op de zijne, leidde ze hem omlaag. Zijn hand volgde de welvingen van haar buik en zij duwde zijn vingertoppen een voor een in haar navel, voor ze verder afdaalde.
Met rode konen van opwinding zag hij hoe Cathy haar knieën optrok en spreidde. Hij voelde de korte haartjes op haar onderbuik onder zijn vingertoppen kriebelen en er voorbijgaan, om zijn hand op haar vochtige kutje
gedrukt te krijgen.

Cathy merkte hoe zijn penis zich verhardde. Ze voelde de druk van het ding, dwars onderin de holte van haar rug. Ze neigde iets voorover, hield zijn hand waar die zat en gaf hem ruimte. Zijn vrije hand verdween in de
voorkant van zijn overall en bevrijde zijn opzij liggende lul tot die rechtop stond, kaarsrecht omhoog, met alle ruimte om te groeien.
Cathy boog terug achterover en voelde zijn stijve nu verleidelijk duwen in de lengte van haar rug. Dat voelde lekker en ze schurkte zich ertegen.
Tegen zijn stijve aanleunend schonk ze weer haar aandacht aan zijn hand.

Zoals ze die ochtend zichzelf gevingerd had, zo vingerde ze zich nu met de vingers van zijn hand. Hij hoefde alleen te volgen en te voelen, te ervaren. Het soppende spleetje tussen haar benen ontvouwde zich onder hun
vingers. Zij duwde ze en hij verdween naar binnen, de vochtige warmte van haar schoot in. Ze trok hem terug tot op haar klitje en stuurde twee van zijn vingers langs het gevoelige knopje. Ze wreef zijn vingers langs haar
plooi, trok zijn vingers over het liefdesbultje, voor ze hem opnieuw naar binnen stuurde.
Zijn en haar vingers sopten in het nat, diep in haar kut, erin en eruit, steeds verder onderzoekend. Het werd voor hem een ontdekkingsreis langs haar schaamstreek, langs alle geheimen van haar vrouwzijn.

Elke verdikking, elk hobbeltje, alle diepten van elk verrukkelijk plekje; de smerende gelei en de goddelijke warmte vertroetelden zijn hand en voor de derde keer stuurde ze zijn vingers diep in haar spleet. Twee van hem
en twee van haar er bovenop. Ze hoorden het geilmakende soppen van de vingers door het nat. Het geluid van het ongegeneerde woelen, van binnen en van buiten, diep verstopt en tussen haar lipjes. Met lange halen
haalde ze zijn vingers tussen haar lipjes heen en weer en streelde met hun lengte haar gezwollen klit.

Haar adem werd zwaar en onregelmatig, vlak voor ze kwam. Hij voelde de spanning in haar lijf opbouwen. Spieren spanden en ontspanden en ze duwde zijn vingers hard tegen haar knop, tot haar adem stokte en ze
klaarkwam, nog steeds met zijn vingers hard op haar klit.
Vier, vijf keer schokte haar lichaam, kreunde zij van genot, voor de spanning uit haar wegvloeide en ze zijn hand uit haar overall loodste, naar haar mond. Vlak voor haar lippen zich om zijn vingers sloten, rook ze de geile
geur van haar eigen poes. Het delicieuze aroma van haar eigen sap, de nectar van haar lijf en verlekkerd zoog ze op zijn vingers, een voor een, tot ze het geil eraf had en ze zijn hand terugleidde, om zijn vingers opnieuw
te dopen en nogmaals te genieten van de smaak van haar genot.
Voor hem was het de hemel, alles wat ze met hem deed. Ook hij kreeg zijn portie delicate  sappen. Op haar vingers geserveerd, in zijn mond. En dat wat haar mond over zijn vingers beloofden!
Nog even kabbelden ze op de golfjes van hun genot, voor Cathy zijn hand teruggaf. Het was hemels geweest, maar ze moesten verder. Op zoek naar ontsnapping uit de onderwereld.