1

De onstuitbare kracht van de op elkaar botsende aardschollen dreef 50 miljoen jaar geleden wat eens de bodem van een zee was, omhoog. Platentektonische krachten in de lithosfeer die de harde korst van de aarde
vormde, werden veroorzaakt door de horizontale convectiestromen in de asthenosfeer eronder. De dikvloeibare laag gloeiend gesteente die eindeloos in beweging bleef door de rotatie van de aarde, stuwde de ene
schol omhoog en de schol waar deze tegenaan botste, omlaag.
Miljoenen jaren bouwde Moeder Aarde aan een barok gebergte en tilde dat op naar het dak van de wereld ter bewondering door de Goden. Al tijdens de vorming erodeerden slopende krachten van wind, water en vorst
de ruige kammen. Zelfs bergketens bezitten geen eeuwigheidswaarde.

Zeeën zoet hemelwater daalden neer op het poreuze kalkgesteente van het karstgebergte en drongen onweerstaanbaar in de kiertjes en spleetjes. Mineralen losten op en werden meegevoerd op de lange tocht van het
water uit de bergen naar de zoute zee. In de loop van miljoenen jaren werden spleetjes spleten, kiertjes kieren en kleine holtes grotten, in de levenscyclus van de berg.
De natuur beeldhouwde  aan kunstschatten; aardse wonderen die era’s weerstonden.

2

De kleine groep nomadische jagers en vissers vond beschutting in de bijna onvindbare grot, halverwege de wand van het oude gebergte. Stompe toppen, ooit geboren als messcherpe pieken maar geërodeerd door
wind en water, verrieden de seniorenleeftijd van een van de aardse mirakels: het levende, almaar veranderende ecosysteem van het hooggebergte.
De berg was bejaard, doch op de geologische tijdsschaal van de aarde besloeg haar leeftijd slechts een fractie van alle millennia sinds de samenklontering van sterrenstof tot die unieke derde planeet van ons
zonnestelsel; Gaia, de levende aarde.

De Cro-Magnon-mens bezat slechts een rudimentair besef van ‘ik.’ Het voortbestaan van de groep hing af van gezamenlijkheid en daarin was ieder lid slechts een onderdeel van wat in essentie een symbiotische
eenheid was. Onderscheid ontstond op grond van taakverdeling en capaciteiten. Individualiteit als onderscheid van de groep ontstond pas later, toen de banden tussen de groepsleden onthechtten doordat een
voortgaande ontwikkeling de onderlinge afhankelijkheid verminderde.
De medicijnman van de groep kende de kruiden van het bos en de rituelen voor de Goden. Jagers, mannen, zorgden voor de eiwitten en vrouwen zochten de knollen en planten die gegeten werden en baarden de
kinderen die het voortbestaan van de groep waarborgden.
Het leven was hard en desondanks ontstonden in deze gemeenschappen de voorlopers van de kunst.

Een van de jagers tekende met verschillende, uit de aarde gewonnen kleurstoffen, primitieve jachttaferelen op de wand van de grot. Een ander boetseerde kunstzinnige kleifiguren, wilde runderen zoals bizons, in een
jachttafereel. Alles om de gunsten der Goden af te dwingen.
Het vuur dat hen verlichtte, brandde dag en nacht. Het diende voor warmte in de nog altijd koele dagen na de ijstijd en voor het verjagen van de roofdieren die overal en altijd op de loer lagen.
Het derde oudste kind van de groep was altijd al nieuwsgierig en onderzoekend. Mensen zoals hij zouden later de aarde veroveren en aan zich onderwerpen. Zijn niet aflatende drang naar ontdekken hield echter ook
grote gevaren in en daarvan werd hij het slachtoffer. Zijn bijdrage aan de evolutie van het menselijk ras beperkte zich slechts tot zijn korte leven.

Achter in de grot ontdekte hij een smalle doorgang en hij kroop er in. De bodem waarover hij kroop was glad van het vocht en wat hij niet wist, was dat daar een diepe val lag. Hij gleed voorover en duikelde naar
beneden. Tien meter lager kwam hij met zijn hoofd op de grond terecht.
Gelukkig voor hem was hij op slag dood, wat hem een pijnlijk sterven bespaarde. De groep miste hem, maar trok uiteindelijk verder. Kinderen stierven of verdwenen vaak jong en daar had de groep mee leren leven. Zijn
botten bleven achter voor antropologen in later dagen, zoals de tekeningen op de wand en de kleifiguurtjes naast het vuur.

Het was het voorrecht van de leider van de groep, een enorm krachtige en agressieve man, het verlies van het kind aan te zuiveren in de hoop dat enkele van zijn nakomelingen de volwassen leeftijd zouden bereiken en
daarmee zouden helpen het voortbestaan van de groep te bestendigen.
Diverse mannen hadden in de loop der jaren zijn voorrechten betwist, maar steeds had hij door kracht en agressiviteit de strijd om het leiderschap in zijn voordeel beslist. Mededogen bestond  niet. Eens echter zou er
een ander komen wiens krachten groter zouden zijn dan de zijne en was hij gedoemd te sterven of hooguit als een oude, afgetakelde man, ontdaan van voorrechten, zijn oude dag te slijten. Leven, dood en pijn
behoorden tot het dagelijks bestaan van de op de maat der  seizoenen ronddolende groep.
Het recht van de sterkste heerste in optima forma.

3

Cathy de Wolf had de week ervoor haar 21e verjaardag gevierd. De derdejaars studente aan de faculteit aardwetenschappen aan de universiteit opende haar ogen, volkomen uitgerust.
In het gerieflijke bed van het hotel draaide ze van haar zij op haar rug.
Dit was de laatste nacht die ze voorlopig in het hotel door zou brengen, want die ochtend vertrok de onderzoeksexpeditie waar ze deel van uitmaakte naar de grot. In die grot ging ze voor haar eindscriptie de geologie
bestuderen. Ze wilde de geologie ervan in kaart brengen en de te vinden mineralen en stenen determineren.

Al vanaf het moment dat ze op het gymnasium kennismaakte met de fysische geografie was deze studie haar droom geweest. Het waren de wonderen van de aarde; de schollentheorie, vulkanisme, aardmagnetisme en
de natuurkundige en wiskundige principes daarachter, die haar boeiden. Die mechanismen wilde ze doorgronden om later in haar major de opgedane kennis toe te passen op dat wat haar bovenal interesseerde: de
geologie en de levensloop van sterren en planeten. Planetaire geologie moest de verwondering voeden die ze bezat sinds ze als spichtig meisje de sterren zag schitteren aan nachtelijke hemels.

Ze gniffelde bij de gedachte aan haar vader, die haar de rode reuzenster Betelgeuze aanwees in het sterrenbeeld Orion en haar verhaalde over de fenomenen die zich ver boven haar afspeelden, op nauwelijks te
bevatten afstanden. Afstanden die zelfs in lichtjaren uitgedrukt indrukwekkend waren voor een kind.
Ze wist nog hoe uitgelaten ze was toen ze voor het eerst de kleurenopnamen zag van het interstellaire kunstwerk de ‘Paardenkopnevel’ op 1600 lichtjaren van de aarde. Of als ze nadacht over de geboorte en het sterven
van zware sterren; supernova’s in een onbegrensd heelal. En waren er niet de onwezenlijk grote massa’s sterrenstof van reuzen die onder invloed van de eigen zwaartekracht ineenstortten tot een zwart gat; een enkel
punt waarin de zwaartekracht zo groot was, dat zelfs het licht er niet aan kon ontsnappen?
Op die kostbare momenten besefte ze hoe nietig en onbelangrijk ze zelf was in de 15 miljard jaren durende evolutie van dit universum.
Ze was niet gelovig, maar deze onbeschrijflijke natuurverschijnselen kon ze met oprechte overtuiging ‘Godswonderen’ noemen. Cathy verwonderde zich over dit alles.

Diezelfde verwondering had zo voor haar lichaam, hoe nietig in dat universum ook. Het werkte perfect en had haar nooit in de steek gelaten. Ze was tanig, met een meer jongensachtig dan vrouwelijk figuur. Brede
schouders met goed ontwikkelde spieren in de schoudergordel en voor een vrouw smalle heupen. Net als haar borsten waren haar billen klein en stevig. Lange, slanke en gespierde benen met kleine brede voeten
vormden haar onderstel.

Ondanks haar wat jongensachtige bouw school tussen haar benen een op en top vrouwelijk geslacht. In haar jongere jaren speelde ze meestal met de jongens mee en kon ze goed met hen meekomen bij die typisch
jongensachtige activiteiten, zoals rennen, springen en klauteren. Omdat ze net als hen was, maakten die jongens nooit een punt van haar deelname. Dat begon te veranderen toen haar borsten begonnen te ontwikkelen,
vrij laat, en ze in plaats van een speelkameraadje een lustobject werd.
Dat sloeg het fundament onder haar bestaan weg.

Vanaf dat moment was ze zich eenzaam gaan voelen omdat ze nooit geleerd had met meiden van haar eigen leeftijd om te gaan. Daar lagen ook haar interesses niet. Meisjes praatten over andere dingen.
Ze voelde zich steeds, zo niet lichamelijk, dan toch zeker wat betreft haar energie en onderzoekingsdrang, beter bij jongens dan bij die meisjes passen. Haar natuurlijke aanleg voor wis – en natuurkunde droeg daar in
niet geringe mate toe bij, want dat was iets dat meisjes geacht werden niet te kunnen bevatten.

Terwijl ze aan haar lichaam lag te denken, vonden haar handen onder het warme dekbed haar borstjes. Lichtjes toucheerden haar vingertoppen de tepels op de kleine heuveltjes. Ze reageerden direct en verhardden tot
de supergevoelige nippels die ze altijd werden als ze opgewonden raakte. Lange tijd speelde ze met haar borsten, voor haar handen over haar buik naar beneden verschoven. Ze trok haar benen op en streelde de
satijnzachte huid aan de binnenzijde van haar dijen. Ze genoot van de gladheid van de huid en de weerstand van de soepele spieren eronder. Haasten deed ze zich niet en geleidelijk bracht ze zichzelf naar het moment
waarop ze verder wilde.
Het eerste contact van de vingertoppen met de schaamlippen veroorzaakte een siddering in haar onderbuik. Dat gebeurde altijd wanneer ze zichzelf bevredigde. Zoals altijd voelde dat verrukkelijk aan.

De met bloed verzadigde lippen tussen haar benen signaleerden de stimulansen van haar vingers en gaven deze razendsnel door aan het genotcentrum in de hersenen. Haar opwinding steeg voorbij die bekende grens
en van het ene op het andere moment had ze zichzelf niet meer in de hand. Er bestond geen weg terug meer en met heftige halen vingerde ze haar klitje. Haar ademhaling werd onregelmatig en wellustige geluiden
ontsnapten aan haar keel, terwijl ze het punt doorbrak waarop haar orgasme onvermijdelijk volgde. Met de hand er tussen klemde ze haar dijen stevig tegen elkaar. De vingers persten zich tegen het kleine knopje aan
de bovenkant van haar gloeiende spleet. Vlak voor ze ontbrandde stokte de adem in haar keel om met een schorre klank pas weer los te komen toen ze kwam.
Hijgend van de fysieke ontlading doorleefde ze de zinderende krampen in haar onderbuik tot deze wegebden en ze zich loom ontspande.

De vingers waarmee ze zichzelf vingerde, schoof ze begerig tussen de nog altijd gevulde lipjes, zover ze kon naar binnen en roerde ermee door de sekssappen van haar lichaam. Het zuigende geluid dat ze maakten
wanneer ze haar vingers uit haar walmende kut trok, voedde haar geilheid.  Wellustig likte ze die kletsnatte vingers af en keurde ze haar lichaamseigen jus. Zo trakteerde ze zichzelf op de nectar uit haar snoeppotje, dat
daar zo rijkelijk vloeide. Aromatisch was het, warm en romig.
Tot nu toe was er nog geen man geweest die haar zo lekker liet klaarkomen als ze dat zelf kon. Ze vroeg zich af of ze die man ooit zou vinden, voor ze het bed uitstapte en de kraan van de douche opendraaide.

4

De Man schommelde op het ritme van de weg heen en weer op de zijbank van het arrestantenbusje. Recht tegenover hem hield een nors kijkende agent hem nauwlettend in de gaten. Niet dat hij echt iets uit kon richten,
de boeien om zijn polsen en enkels rammelden bij elke hobbel op de weg.
Drie dagen geleden veroordeelde de rechter hem tot een levenslange gevangenisstraf zonder TBS en dit busje bracht hem naar de plaats waar hij de rest van zijn levensdagen zou slijten. Als hij 85 werd, kon hij in die
extra beveiligde inrichting nog precies 50 keer zijn verjaardag vieren.
Tien politieagenten lichtten hem die bewuste ochtend in alle vroegte van zijn bed. Tien agenten om hem in bedwang te houden en als hij niet volledig verrast was geweest door de inval, hadden zelfs die tien geen kans
gehad.

Na een maandenlang voorarrest was de rechtszaak begonnen. Ontelbare bewijzen werden tegen hem aangevoerd, voor alle sadistische moorden die hij pleegde. Van het begin van het proces af was duidelijk waar zijn
straf op uit zou draaien. Elke gruwelijke moord droeg de verminkingen en andere kenmerken die onloochenbaar naar hem als dader wezen. Gruwelijk gemutileerde  karkassen, vaak nauwelijks nog herkenbaar als de
vrouwen die ze eens waren, waren zijn handelsmerk. Een niet te missen spoor lijken liet hij achter en de politie hoefde slechts dit spoor te volgen om hem te grijpen.
Bovendien had hij bij elke moord kwistig zijn DNA-materiaal in de vorm van sperma rondgesproeid, als stille getuige van zijn aanwezigheid. Een stille getuige die niettemin in de rechtszaal zijn schuld van alle daken
schreeuwde.
Schatjes, zo noemde hij zijn vrouwelijke slachtoffers. Schreeuwen deden ze urenlang, alvorens ze misbruikt, mishandeld en gesloopt een genadige dood stierven.

Volkomen onverwacht maakte de wagen een slinger naar links, direct gevolgd door een zwaar aangezette ruk naar rechts en werd hij met zijn bewaker door de kooi geslingerd, over elkaar heen.
Een voorwiel kwam in de zachte grond van de berm en hij voelde in zijn lijf de plotse vertraging die er het gevolg van was. Het busje kantelde en met een klap landde het ondersteboven in een diepe geul langs de weg.
Door de traagheid van zijn massa smakte de Man tegen de wand tussen de kooi en de cabine. Half verdoofd merkte hij hoe water naar binnen stroomde, onder de omgekeerd hangende deuren door en langs de kieren
ertussen.
Gehinderd door de boeien kroop hij naar de deuren toe, langs de bewaker die met glazige ogen en geknakte nek dood in het snel stijgende water dreef.

Zonder ook maar een moment in paniek te raken nam hij de tijd om de bewaker te ontdoen van alles wat hij kon gebruiken: papieren, geld, het wapen uit de holster en vooral belangrijk waren de sleuteltjes van zijn
handboeien. Snel maar beheerst opende hij de beide sloten om zijn polsen en wierp de boeien van zich af. Sleuteltjes van de boeien aan zijn voeten vond hij niet en dus pakte hij het pistool, richtte zorgvuldig op het slot
van zijn enkelboeien en haalde kalm de trekker over.
Vrij zoals hij lang niet geweest was greep hij met zijn kolossale handen de zijbanken, trok zijn machtige benen in en met twee beukende trappen forceerde hij de achterdeur van de kooi en verschafte zich een herwonnen
vrijheid.

Een van de bewakers in de cabine was morsdood, verdoofd door de harde klap tegen de rand van de sloot en verdronken in het water. Ook hem nam hij alles af wat hij bruikbaar achtte. De tweede bewaker vertoonde
nog tekenen van leven, maar dat verhielp hij zonder verblikken of  verblozen door met een ruk opzij de nek van de man te breken. Met de kracht van zijn armen was dat een fluitje van een cent.
Voor hij het busje achterliet oriënteerde hij zich doodgemoedereerd op de omgeving. Hij wist dat ze achter hem aan zouden komen en zijn beste kans aan zijn achtervolgers te ontkomen lag achter hem, de bergen in.

5

Punctualiteit was geen kenmerkende eigenschap van Lieve, bedacht Cathy, terwijl ze al bijna 15 minuten met haar bepakking op de stoep voor het hotel wachtte.
Lieve Nulens was de student antropologie die deel uitmaakte van het multidisciplinaire studententeam dat de grot in het kader van hun afstudeerproject ging onderzoeken. Hij was  unaniem gebombardeerd tot chauffeur
van het krakkemikkige busje dat hen de bergen in zou voeren.
Inmiddels kende ze alle deelnemers van het team goed.

Tijdens de voorbereidingen van het onderzoek waren nauwkeurig de diverse onderzoeksterreinen en – verantwoordelijkheden afgebakend en dat had haar de kans gegeven de verschillende karakters te leren kennen.
Lieve was Belg èn humoristisch. Als het allemaal een beetje te ernstig dreigde te worden was hij degene die relativeerde. Hij wist overal een grap van te maken en was altijd in staat ontspanning in de groep te brengen.

Naast Lieve maakte nog een andere Belg deel uit van de groep. Dat was Bernard Lemaire uit Wallonië die er altijd op stond dat zijn naam keurig op zijn Frans uitgesproken werd, iets wat Lieve als Vlaming steevast
niet deed. Ondanks deze taalstrijd, de beschamende erfenis van twee taalculturen in één land, konden die twee het prima met elkaar vinden.
Bernard was de bioloog van het team en het watje van de groep. Zelfs onder studiegenoten werd hij stuudje genoemd, omdat hij zich niets gelegen liet liggen aan bierfeesten en andere studentikoze drinkgelagen.
Liever zat hij met zijn neus in boeken over zijn grote liefde, de flora en fauna van deze wereld.
Cathy zelf was Nederlandse, net als Isaac de Groot, de aanstaande paleontoloog die studeerde aan dezelfde universiteit als zij.

Precies op tijd, dat wil zeggen precies op Lieve’s tijd, dus 25 minuten te laat, arriveerde het gammele busje luid toeterend voor het hotel. Cathy grinnikte, maar geneerde zich tegelijk voor al dat overdreven enthousiaste
getoeter en gebaarde Lieve dat hij zich een beetje in moest houden. Blijkbaar bestaat er ook in gebarentaal een Belgisch – Nederlands taalverschil, want het schorre claxongeluid stopte pas toen het busje met
piepende remmen vlak voor haar voeten tot stilstand kwam.
“Taxi, schone dame?” hoorde ze Lieve uitgelaten brullen.

Haastig gooide Cathy haar spullen in de achterbak en pas in de auto begroette ze iedereen.
Quasi boos vroeg ze Lieve of het voortaan ook iets minder opvallend kon, terwijl ze op de middelste bank plaatsnam.
“Ik denk het niet, mevrouw. Niet vaak heb ik zulke schone lifsters!”
“Nou, vertrek dan maar, want ik schaam me dood,” antwoordde Cathy.
“Jullie ‘Ollanders’ kunnen ook nou nooit eens ergens tegen, zeg.”
Een dot gas en het busje hobbelde weg met achterlating van een wolk roetdeeltjes waar zelfs het meest moderne roetfilter in een keer door verstopt zou raken.
De laatste die zich bij hen voegde was Jasper de Jong, de enige oudere man. Hem pikten ze onderweg op. Jasper was de speleoloog en hij zou de groep inwijden in de ins en outs van grotonderzoek en de gevaren
die daarbij komen kijken.

De vijf uur in het busje waren voor Cathy een bevestiging van het evolutionaire gegeven dat mannen eropuit zijn indruk op vrouwen te maken en ze zo voor zich te winnen. Het menselijke equivalent van protserig
pauwengedrag, het pronken met de veren en het imposante vertoon van de mannelijke kwaliteiten met een overdaad aan pracht en praal, bleef de gehele reis aanwezig.
Zet vier mannen bij een aantrekkelijke vrouw en ze zullen allemaal hun best doen een onuitwisbare indruk op dat vrouwtje te maken. Zelfs Jasper, met zijn 53 jaar, getrouwd en vader van 4 kinderen, kon zijn mannelijke
hormonen niet loochenen. Het waren zijn subtiele gebaartjes en dat net wat meer uitgesproken gedrag die dit voor haar duidelijk maakten. Bovendien sprak hij nogal brallerig over zijn hobby, karate. Diverse keren
moest ze aanhoren dat hij maar liefst een Shotokan karateka was en dan nog wel een eerste dan. Nou, nou, dacht ze dan, wat een vent zeg! Ze hoorde het allemaal braaf aan, blijkbaar vond hij het nodig zichzelf stevig
op de kaart te zetten!

Geamuseerd merkte ze dat wanneer de mannen tegen haar lachten, hun lach net iets breder, net iets guller was dan wanneer ze dat naar elkaar deden. Ze maakten ook allemaal een fractie langer oogcontact met haar
dan strikt noodzakelijk. Er werd net iets makkelijker een presentje, in de vorm van een snoepje of zo, voor haar aangedragen dan voor de rest van de groep, als woerden  die ijverig nestmateriaal aandragen. Het was
een zó herkenbaar onderdeel van het aloude verleidingsritueel dat ze er om moest lachen. Mannen blijven altijd mannen.
Alleen Bernard deed niet mee. Die leunde in een hoek van de bank tegen de schuifdeur en bladerde onaangedaan door zijn boeken. Slechts af en toe keek hij op, onopvallend, alsof hij met zijn gedachten mijlenver weg
zat.

Blijmoedig wentelde Cathy zich tijdens de rit in al die aandacht, zoals elke vrouw daarvan geniet.
Bij aankomst onderaan het pad dat naar de grot leidde en vanwaar ze te voet verder moesten, kreeg ze nog zo’n staaltje van imponeergedrag te zien.
Alle spullen moesten naar boven gedragen worden en het was aandoenlijk om te zien hoe drie mannen zich beijverden haar te tonen hoeveel ze wel niet konden dragen, hoe sterk ze wel niet waren.
De boodschap was duidelijk en bestaat al zolang als de mensheid zelf: ‘Zie eens hoe goed mijn genen zijn. Ik ben de beste, de sterkste, de baas. Neem mij als partner en paar met mij!’

Terwijl de mannen op het veldje bij de grot uitgeput neerploften na hun zelfopgelegde kwelling, liep Cathy naar het kleine bergmeertje links in het bos, waar ze haar handen in het ginheldere water doopte en haar gezicht
depte.
Hier zouden ze de komende twee weken bivakkeren in hun kleine tentjes en dit was de wereld waarin ze zich thuis voelde: de wilde, ongerepte natuur.
Ze bekeek de dikgestamde dennen om zich heen en snoof de schone lucht diep in haar longen. Dit was haar leven.































6

Jasper bukte en raapte de droge tak op. Zijn armen waren gevuld met droog sprokkelhout waarmee een kampvuurtje gemaakt kon worden. Het gezelschap had zojuist de eerste maaltijd in het kamp genuttigd en
iedereen rustte uit van de inspanningen die het opzetten van een basiskamp met zich meebrengt.
Vlakbij hoorde hij water van het bergmeertje spetteren en toen hij zijn hoofd naar het geluid wende, nieuwsgierig naar de oorzaak, zag hij tussen de bomen door Cathy die zich bij het water waste.
Bloot stond ze tot haar knieën in het water en zeepte haar lichaam in.
De opvoeding van Jasper roerde zich met het besef dat hij hier niet naar hoorde te kijken, dat Cathy recht had op haar privacy en dat het niet netjes was wat hij deed. Toch kon hij het niet nalaten te kijken hoe haar
handen, glad van het schuim, over haar borstjes gleden, over de buik en de billen en langs haar benen. Hij vond het ook zo opwindend een vrouw zich te zien wassen.

Vanwaar hij stond kon hij zien dat ze haar schaamhaar op een dun, smal streepje na had afgeschoren en hoe ze met haar ingezeepte handen tussen haar benen door gleed.
Hij stelde zich voor hoe het daar aanvoelde, zacht en week en heerlijk glad en hij zag in zijn geest de smalle gleuf die de ingang van haar kut vormde. Dat grotje wilde hij weleens verkennen, dacht hij, zoals hij altijd
wanneer hij een grot binnenstapte het idee had dat hij een vrouwelijke opening van de aarde binnendrong.
Zonder geruis te veroorzaken legde hij de stapel droog hout neer en trok zijn gulp open.
De hele dag al ving hij haar geur in zijn neus en dat veroorzaakte een tinteling in zijn lendenen. Diverse keren stak hij in het busje, zonder dat ze het zag, zijn hand in zijn broek om zijn half stijve lul omhoog te leggen en te
bevrijden uit de omknelling van de strakke onderbroek.

Verscholen achter een boom wipte hij zijn nu volledig opgesteven lul uit zijn broek en schoof de voorhuid heen en weer over de van voorvocht glanzende eikel.
Terwijl ze met haar hoofd in haar nek de haren waste en uitspoelde, keek hij naar de omhooggetrokken borstjes met de priemende tepels. Zijn blik volgde de rondingen van haar lichaam  naar beneden, tot tussen haar
benen, verlangend haar jonge poesje te zien. Slechts heel even meende hij het begin van het spleetje te zien. Het plaatje voor hem leek op de foto’s van de jonge vrouwen die hij op het Internet bekeek. Stiekem, ’s
avonds als zijn vrouw al sliep.
Net als bij die foto’s trok hij zich af. Hij fantaseerde dat het haar geile handjes waren die zijn voorhuid over zijn eikel schoven en dat het haar slanke vingertjes waren en niet zijn eigen, die zijn zak masseerden. Hij stelde
zich voor hoe die fijne handjes liefdevol om zijn ballen sloten en ermee speelden, hoe haar vingertoppen de huid achter zijn zak streelden en zijn lust opvoerden.

In zijn dagdroom zag hij haar als een waternimf uit het water komen en als op wolkjes gedragen op hem toe zweven. Met een innemende lach om haar mond stopte ze vlak voor hem en klemde  een handje om zijn
smachtende stijve, voor ze op haar knieën op het geurige naaldentapijt zakte en verlekkerd haar brede mond om zijn eikel sloot en hem pijpte zoals zijn vrouw dat nooit deed.
Hij hield van zijn vrouw, zeker, maar ze was als zoveel vrouwen van haar generatie seksueel te geremd voor sommige dingen waarover hij als man wel fantaseerde.

In gedachten voelde hij hoe haar hagelwitte tanden aan de glans van zijn lul knabbelden en plagend naar achteren schoven en achter de rand haakten. Gedwee liet ze met zijn hand onder haar kin haar hoofd achterover
buigen waardoor hij nog verder in haar kon schuiven. Hij voelde, als was het echt, een slikbeweging die hem in staat stelde door te stoten tot in haar keel, tot zijn zak tegen haar kin klotste. Schokkend leegde hij zich,
diep doorgestoten in haar slokdarm.
Met zijn eikel terug in haar mond richtte ze de ogen op naar de zijne en keek hem aan. Dankbaar voor zijn zaad ontving ze zijn aanhoudende geilstroom op haar tong en zoog haar wangen hol tot ze de laatste dikke
druppel tussen haar tanden verwelkomd had.

In werkelijkheid spoot Jasper de forse stralen sperma tegen de diepgegroefde bast van de den waarachter hij zich voor haar blikken verborg. Langzaam droop het goedje naar beneden, een slijmerig spoortje
achterlatend.
Met zijn ontlading kwam ook de realiteit terug en vlug veegde hij zijn eikel schoon aan zijn onderbroek en sloot zijn gulp.
Hij raapte het hout op en zo stil als hij kon keerde hij terug naar het kamp en de anderen. Zijn droom voor die nacht had hij al meegemaakt en die wilde hij dolgraag nog eens herbeleven.

Die eerste nacht was Cathy niet alleen de hoofdpersoon in de droom van Jasper. Haar lichaam   figureerde als ‘meewerkend voorwerp’ evengoed in de erotische nachtavonturen van Isaac en Lieve.

7

“Mag ik naast je komen zitten?”
’s Morgens voor dag en dauw zat Cathy op de stam van een omgevallen boom op de oever van het bergmeertje, toen ze door gevallen naalden gedempte voetstappen hoorde naderen. Het bleek Bernard te zijn.
Ze knikte, niet genegen de geluiden van de ontwakende natuur te verstoren. Een tijdje zaten ze zwijgend naast elkaar, te kijken hoe de dag oplichtte. Bernard verbrak het stilzwijgen.

“Het bos klinkt mooi, zo vroeg in de morgen. Het zingen van de eerste vogels in de stilte van de nanacht en het geritsel van de nachtdieren op weg naar hun slaapplaats.”
“Hmm hmm,” antwoordde Cathy, “het is vooral vredig. Ik kom vaak in de bergen en dan kijk ik altijd hoe nieuwe dagen geboren worden. Dat jonge licht geeft alles zo’n mooie kleur, heel anders dan het felle licht van de
middag. Sta je altijd zo vroeg op?”
“Niet altijd. Gisterenavond heb ik nog tot laat liggen lezen in een boek over de levensvormen in grotten. Vandaag wil ik direct diep de grot in met Jasper en op zoek gaan naar wat daar allemaal groeit. Daar heb ik zo
aan liggen denken dat ik moeilijk kon slapen en dus ben ik er maar uit gegaan. En jij?”

“Net zoiets als jij. Het was vannacht zulk lekker weer dat ik hier op de oever mijn slaapzak heb uitgerold en ben gaan liggen. Ik lag te denken aan de dingen die ik in de grot aan zou kunnen treffen. Als ik maar even kan
probeer ik altijd buiten te slapen en naar de sterren te kijken. Dat doet me denken aan mijn vader. Die mis ik heel erg. Altijd als hij in de bergen eropuit trok, nam hij me mee. Hij heeft me de liefde voor deze wereld en
die andere, daar ver weg, bijgebracht.” Een  arm zwaaide in een wijde boog naar boven.
“Als je niet wilt antwoorden moet je het zeggen hoor, maar leeft je vader dan niet meer?”
De vraag bleef even in de lucht hangen voor er antwoord kwam.

“Nee, mijn ouders zijn overleden. Al toen ik jong was. In mijn hoofd koester ik hun herinnering,  van beiden heb ik geleerd me over van alles te verwonderen en de schoonheid ervan in te zien. Mijn moeder verzamelde
stenen en mineralen die ze zelf uithakte. Die stalde ze uit in vitrines in onze huiskamer. Kasten vol met stenen stonden er. Ik zal die twee altijd bij me dragen. Maar zullen we gaan eten?”
De abrupte overgang maakte Bernard duidelijk dat de wending die het gesprek genomen had, Cathy aangreep.
“Laten we dat maar doen ja, de anderen zullen wel op ons zitten te wachten.”

De rest van de ochtend ging heen met het eerste onderzoek in de Aardmuil, de eerste grot van het complex. Isaac, Lieve en Cathy bleven in de grot, terwijl Bernard en Jasper hun eerste afdaling maakten in de Val, de
loodrechte doorgang die de verbinding vormde tussen de Aardmuil en de Druipsteenkamer.
Isaac en Lieve onderzochten en fotografeerden de primitieve rotstekeningen en de roodbruine kleibeeldjes in de grot, terwijl Cathy de aardlagen waaruit de wand was opgebouwd onderzocht, in kaart bracht en de
eerste mineralenmonsters met haar geologenhamer uithakte.
Het ging langzaam en geconcentreerd, oudheidkundig onderzoek is een nauw luisterende   bezigheid.
De drie waren ingespannen bezig toen plotseling de lamp die gevoed werd door de generator uitviel en het aardedonker zich om hen heen vouwde. De noodlampen op de accu’s moesten uitkomst brengen.
“Ik ga wel even kijken,” zei Lieve, “er zal wel te weinig benzine in de generator hebben gezeten. Ik zal het bijvullen, dan kunnen we verder.”
De Grot